Categorieën
Scenario

Het weerzien – een innerlijke monoloog

Het is rustig in de intercity. Ik ben de enige in de cabine van deze dubbeldekker. Ik neem plaats op de bovenste verdieping, in de stiltezone. Ik kijk in het rond en voel aan de zachte bank. Het zijn best comfortabele treinen. Het is stil. Kalmerend stil. De stiltezone heeft effect op mijn gedachten. Bijna op een zenniveau. Mijn hersenprocessor valt stil. Stille sereniteit in mijn hoofd. ‘Vergeet een cursus mindfulness, de stiltezone van de NS brengt rust in uw hoofd’.

De conducteur fluit. Of is het zo’n geautomatiseerde fluit? Het teken dat de deuren dichtgaan en de trein zo vertrekt. Die harde fluit is eigenlijk akelig voor de conducteurs. De hoge piep veroorzaakt tinnitus op de lange termijn. Ze zouden gehoorbeschermers moeten dragen. Zorgmodus uit.

De cabinedeur schuift open. Ik ben niet langer alleen. Daar gaat mijn zwijgzame gemoedsrust. Twee stoelen verderop gaat iemand zitten. Ik zak dieper in mijn fijne NS-stoel. Terwijl ik mijn ogen sluit, ruik ik iets. Ik ruik…. parfum…. Het is heel indringend. Deze geur ken ik! Ik voel me ineens lamgeslagen. Het parfum voert me terug naar mijn verleden. Het roept een instant geluksgevoel op… een herinnering… aan een geliefde. Het is het luchtje van mijn beminde die zich vooroverbuigt om mij een kus op mijn voorhoofd te geven. Zijn zachte lippen op mijn huid. Warm en liefdevol. Deze geur roept bij mij een gevoel van geborgenheid op… van passie, van liefde.

Ik kijk nieuwsgierig naar twee stoelen verderop. Wie zit daar? Ik zie zijn schoenen. De veters netjes gestrikt in de schoen gestopt. Een vertrouwd gebruik. Ik kijk en ik kijk, maar ik kan niet veel zien. Kon ik maar zien wie het is. Of hij het is. Hij…
Hij die mij ooit veroverde met onbegrensde liefde. Mij vervulde met eeuwige hartstocht. Hij was mijn lente in aantocht. Mijn bron van affectie. Hij betoverde mij met ongekende genegenheid. Hij gaf mij oneindige tederheid. Hij was mijn geliefde. Jarenlang waren we innig met elkaar, verbonden, het perfecte stel. Onze liefde leek onvergankelijk. Hij….hij, die de hoek om liep en nooit meer terugkeerde.

Onze laatste ontmoeting. Twintig jaar geleden op een koude winteravond. Hij doet hout in onze houtkachel. De vlammen draaien alle kanten op. Ze bewegen muzikaal. De vlammen van het vuur dansen. Het hout knispert ritmisch. Het is de melodie van de natuur. Ondoorgrondelijk en inherent aan de schepping. Onze laatste keer samen. Zorgeloos, tevreden en gelukkig. Kon het leven nog mooier zijn? Ik bevond me op een kleine wolk van geluk. Hij was de man zoals ik hem wenste. Liefdevol, loyaal, teder, oprecht, gevoelig en vooral eerlijk….het beste wat me ooit was overkomen.

Terwijl ik genoot van de warmte en bijna in slaap viel in zijn armen, greep hij me ineens stevig vast. Hij keek me indringend aan. Zijn blik haalde me uit mijn roes. ‘Wat is er? Waarom kijk je zo?’ vroeg ik hem. Zijn ogen vulden zich met tranen. Hij gaf me een kus op mijn voorhoofd. De laatste keer dat ik zijn zachte lippen op mijn huid voelde. ‘Het spijt me’, zei hij. ‘Het spijt me.’ Toen stond hij op en binnen een tel was hij weg, het huis uit. Ik was helemaal in de war. Ik stond op en begon te trillen. Ik rende achter hem aan, zonder jas, op sokken de koude winternacht in. ‘Wat is er? Wat is er aan de hand? Kom terug, laten we praten’ schreeuwde ik achter hem aan. Maar hij draaide zich niet meer om. Ik keek hoe hij aan het einde van de straat de hoek om ging. Ik bleef achter, tuurde roerloos naar de lege straat mezelf afvragend wat me was overkomen. Ik was volledig overrompeld.

En zo was hij weg. Weg uit mijn armen. Weg uit mijn huis. Weg uit mijn leven. Hij verdween in het niets. Hij liet me achter met lege handen, zonder uitleg, behalve dat het hem speet. Wat speet hem? Waarom moest hij ineens weg? Besefte hij niet dat hij mijn hart in duizend stukken brak? Hij liet me gewoon vallen als een baksteen. Nooit zag ik hem meer terug. Nooit zocht hij mij op. Alsof onze relatie een droom was een fantasie. Alsof deze zich alleen in mijn hoofd had afgespeeld en ik ineens in een kille harde realiteit was beland. In een werkelijkheid zonder hem.

Ik zie beweging. Hij draait zich om. Volgens mij wil hij opstaan. Oh God. Zou het? Zou het hem kunnen zijn? Durf ik hem wel aan te kijken? Durft hij mij wel aan te kijken? Of wil ik liever wegkijken? Doen alsof ik hem niet heb gezien? Hem niet vragen hoe het leven hem heeft behandeld? Waarom hij mij in godsnaam op die kille winteravond verliet? Betekende ik dan niets voor hem? Was onze liefde bedrog? Alles borrelt op. Het verdriet en de pijn die twintig jaar onder de oppervlakte hebben gezeten, vinden hun weg omhoog. Ik kan ze niet meer onderdrukken. Mijn hart gaat tekeer. Weg stille sereniteit. Mijn hersenprocessor slaat op hol. Ik voel een diepe woede opkomen. Ik ben bang dat deze stiltecoupé zo verandert in een oorlogsveld.

Ik kan deze confrontatie niet aan. Het doet te veel pijn. Nog steeds. Vergeten ben ik hem nog altijd niet. Hoe zielig is het om me nu pas te realiseren dat, na hem, niemand zijn plek kon innemen. Dat ik, na hem, een deel van mezelf verloor. Mijn geluk voorgoed kwijtraakte. Altijd me afvroeg: ‘Wat als…’ Iedere keer wanneer ik baby’s om me heen zag, me afvroeg: hoe had ons gezin er uitgezien? Iedere keer als ik langs een nieuwbouwwijk reed en naar al die jonge gezinnen keek me afvroeg: had ik hier ook gewoond met hem, en onze kinderen? Huisje-boompje-beestje? Ergens is met hem ook die toekomst verloren gegaan, op de dag dat hij mij verliet.

De trein gaat zo stoppen. Hij staat op. Het is zover. Mijn handen beven. Ik probeer me aan de armleuningen van de eerder zo comfortabele zenstoelen vast te houden. Hij draait zich om. Ik ga flauwvallen. Mijn maag draait zich om. Ik voel me licht in mijn hoofd worden. Alsof deze intercity veranderd is in een vliegtuig dat aan het opstijgen is. Hij draait zich een kwartslag om. Ik zie nog net niet zijn gezicht. Hij grijpt naar zijn tas en pakt die stevig vast. Oh wacht: draagt hij een trouwring? Nee, nee gelukkig niet (hoezo ‘gelukkig’?). Kom op, kijk nou deze kant op! Nee! NEE!! Hij loopt naar de glazen deur aan de andere kant van de wagon. Shit. Hij moest mijn kant op draaien. Hij moest langs mij lopen. Zou hij mij gezien hebben? Nee toch? En nu? Wat moet ik doen? Laat ik hem weer weglopen? De trein uit? Mijn leven uit?

Ik moet gaan. Ik moet de moed bij elkaar rapen om op te staan. Ik moet zien of hij het is. Ik kan niet meer tegen deze spanning. Ik sta op en loop haastig naar de deur. Terwijl ik bijna ren, hoor ik de deuren van de trein opengaan. Straks is hij al uitgestapt! Ik ren en in mijn klungeligheid en paniek struikel ik over de traptreden. Wie heeft ze in hemelsnaam zo glad gemaakt? Ik kijk door de treindeuren terwijl ik nog half op de traptreden lig, zie hoe hij uit de trein stapt. Dramatisch, hysterisch, dender ik het trapje af, en zie net welke richting hij uitstapt. Wat een vertoning! De conducteur komt haastig op me af. ‘Gaat het? Heeft u pijn?’ Ga weg denk ik. Pijn is fijn. Dat voel ik later wel. Ik moet nu achter mijn grote liefde aan, zodat hij me niet weer verlaat.

Net voordat de harde conducteursfluit weer afgaat (het is dus wel zo’n geautomatiseerde variant) en de deuren langzaam dicht glijden, steek ik mijn hoofd naar buiten. Als een vis die even boven het wateroppervlak komt en naar zuurstof hapt. Ik roep zijn naam. Nee, ik schreeuw zijn naam uit volle borst. Het meest bizarre moment in mijn leven, maar toch. En het werkt. Ik zie hoe hij op die naam reageert en zich omdraait. Dit keer draait hij zich wel om. En daar, voor een hele seconde zie ik hem. Hij ziet mij! We zien elkaar! Na twintig liefdeloze jaren voel ik het weer. HIJ. Mijn grote, onvervangbare liefde.

De tranen springen in mijn ogen. Ik wil rennen. Me in zijn armen gooien. Hem nooit meer laten gaan. Het is op dat moment dat de conducteur mij hardhandig weer de trein in trekt. Net op tijd, 1 milliseconde later of ik was met mijn hoofd tussen de deuren klem komen te zitten. ‘Het was hem!’ roep ik tegen de conducteur, terwijl ik hem bij zijn armen grijp. ‘Het was hem! Hij was het!’ Vreemd kijkt hij mij aan. ‘Wie heeft u gezien, wie is hij? Ik begrijp u niet meneer. Is alles oké?’. ‘Ja… alles is oké’, zeg ik, terwijl ik mijn wanhoop wegpuf. ‘Het was….het was hem’.