Categorieën
Poetry slam

Tendresse/Nederzettingen

“La où tu es tendre, tu dis ton pluriel”

I Meermannen/Selkies

“Selkies zijn mythische wezens die in de zee de vorm van een zeehond hebben, maar op het land hun huid af kunnen leggen om als mens door het leven te gaan. Verstop hun huid, en tot zij hem terugvinden zullen ze aan land gebonden zijn.”

We spoelden aan
uit speelsheid.

Om op het strand te dansen
om ook eens vuur te zien.

We wilden weten wat warmte is
en of je daar ook in kan verdrinken.

Eén man stal mijn vel. Voor hem
was ik een hemellichaam met twee ringen.

Ik groef me huidloos in. Hij zei: lief
wat ben je vinnig. Ik dacht ja

je bent warm maar als je ’s nachts
tegen me aan komt liggen: het gewicht

en de omvang van een schip. Wat ik verzwijg:
dat ik mijn vorm niet vind. Ernaar verlang om koud

en grijs, gestroomlijnd van je weg te zwemmen.
Ik zoek steeds grimmiger gesteente, moet telkens

naar de kustlijn trekken, ’s nachts, als het maanlicht blauw
als een verdronken lichaam is waarin ik tussen plastic

naar bootlichten vis.

Het dansen is inmiddels sidderen, geschokt
bewegen. We kerven met onze lijven letters
in het luchtledige. Dit is geen schrift meer.

Ik doorzoek het huis terwijl hij slaapt.
Mijn huid vis ik uit een kist. Loop

zingend naar het hoogste klif.

II Waar we uitstapten

Je wilde per se voor de wodka nog naar binnen, maakte een foto
van het Gotisch voorportaal. De muren zijn zwartgeblakerd

maar in het kaarslicht worden lichaamsdelen zichtbaar.
Zij die genazen of wiens gebeden anderszins werden verhoord

hangen met knijpertjes aan een waslijn
van staaldraad. Dankbaarheid droogt niet.

Je vertelt het verhaal: ze krasten hun kwalen
in zilveren plaatjes en lieten die achter

als offer – net het orakel zeg je, waar
een priesteres in tongen spreekt maar hier

zijn het de vlammen die onze wonden likken.

Je stapt eerbiedig rond en ik vergaap me
aan je verwondering. Na de wodka in een slaapzak

op de uitgeklapte achterbank offeren we onze lijven
tegen elkaar op. Je zoekt verlossing in mijn liezen

maar vindt slechts leegte. Mijn vinger die de golving
van je neusbrug volgt biedt ook geen troost. Het gebaar

te vaak en bij anderen herhaald. Versleten. Wat je vast
wil houden lekt tussen je vingers weg. Ik roep iets

over ketenen en dat ik je uit zal leveren
aan een tiental mannen. Dat helpt

het stelt je gerust. Kun je dat vaker doen, vraag je.

III Zomerhuis met zwembad

Ook als je opstaat uit je ademhaling in het zwembad
en kleine, volledig gemechaniseerde hijskranen voeren autopsies uit
op de lichamen van je minnaars, je kinderen, je katten

en hoe je daarbij aanwezig bent

Schimmeldraden ruimen top down de tuin
op, de aangeharkte voetpaadjes. De schemering
kortwiekt je weerhaken, knipt ze, snoeit de zichtlijnen

en smeltend kaarsvet drupt op je buikje
tot het glanst in kunstmatig licht, stolt

Wat het betekent om getuige te zijn:

gekluisterd aan een strafbaar feit
maar onder verzachtende omstandigheden
van je afzijdigheid

vrijgepleit. En je relatie tot wie
of wat er te gronde ging – de rechter

spreekt absolvo als een priester
maar was het nou je minnaar of was het toch
de aarde, de zwerm, het zwerfafval?

Je verse zaad glinstert in het maanlicht
en iemand vraagt of je het verdriet lijfelijk ervaart
of dat de schuld een ballast van abstracties is, kortom

lijd je ongehoord of eerder onbekommerd?

En wat het met je doet als het zwembad zijn mond opent
uit zuurstoftekort, naar adem hapt en zegt:

kom terug

Nederzettingen

I

Op een dag, ik stond uit te hijgen van de klim, uit te kijken over de verse
urnenvelden die zich lui uitstrekten tot ver buiten beeld, dacht ik

aan hoe alles voor ons begonnen was.

Dat we bij aankomst het stof van onze schouders klopten
dat het op de akkers dwarrelde, dat dat een kantelpunt was.

We wisten dat er enkelen in de steden waren achtergebleven maar we benijdden ze niet.
Wij verkozen ploeteren boven plastic en de omstandigheden dwongen ons om het aanleggen

van voorraden tot op de korrel te plannen. Ook het voortplanten was even wennen. Baarmoeders
waren geen omstreden luxe meer maar noodzaak en we hadden altijd wel een back-up

baby achter de hand want zonder keizersnee kwam niet alles goed ter aarde.

Wat zeg je? Ja natuurlijk matrilineair want nomadisch dus alleen de god die was
kwijtgeraakt weet wie de vaders waren. Het was zinloos er iemand naar te vragen.

En de dood diende zich anders aan. We werden collectief gek van verdriet en soms
van ontreddering. Dan volstond een grafkist of het samen uitstrooien van de as niet.

De praktische implicaties waren groter – de vraag naar wie we moesten kijken
voor wijze raad of het fenomenaal dekken

van een dak met riet of plaggen dat
doet wat met je, als groep bedoel ik.

We schuwden de grote gebaren niet. Voor zo’n graf kozen we de hoogste
heuvel in het landschap of een eiland in de delta tussen de rivieren.

Als er tijd was maakten we cirkels van houten palen
als er veel tijd was, van stenen pilaren en we dansten

rondedansen om de vreugdevuren, verbrandden restjes tarwe
slachtten koeien, hieven trechterbekers op en liederen aan

om de dood, om het jaargetijde, om de oogst
om het oog van de god die ons verlaten had

en voor wie we “land” in de plaats hadden gekregen.

Soms vonden we op dezelfde plekken resten van duizenden jaren geleden.
Dat gaf kracht, snap je, het idee dat we op de goede weg waren

dat het een herhaling was
dat de herhaling nog vaker

dat we niet de eersten
dat er na ons, later.

II

We geloofden dat we de laatsten waren
maar inmiddels goed op gang weer chocola te maken
van landmassa’s jaargetijden, menstruatiecycli en stoffelijke

overschotten, het belang van intermenselijk contact – wat ik voel
als ik wakker word: de ruwe stof. De anderen zijn al op
en iemand weckt mijn potjes. Oogst appels. De haard smeult

na van gisteravond en we kleden elkaar aan
vandaag dragen we verse gewaden, we vermengen as met klei
en water, verven spiralen op onze wangen met onze vingertoppen

op ons voorhoofd. Ik haal de aftandse geweien die we bewaren
voor rituele doeleinden. Het pigment is verbleekt, de geur
is ranzig. Ons aanzien: spookachtig. De tocht is lang

een gestage afdaling tot waar de heuvels dal worden, ze vormen
een kom om het water in te dragen. Nu is de vloedvlakte een moeras
maar elk voorjaar baart het een bekken, trekt het vogels aan

hiervoor is een geografische verklaring: het landijs stuwde ooit
de bodem aan weerskanten op en we volgen
een verhoogd voetpad, omzoomd met rechtopstaande keien

aan het einde: ringgreppels, steencirkels
grafheuvels. Er wordt gedanst. Iemand zingt een lied
in een taal die niemand nog verstaat. De priester breekt een zwaard

een dolk, een speerpunt – werpt ze onder luid
gejuich in het water van de poel op de plaats waar steencirkel
en voetpad elkaar raken (overgangsgebied

liminale ruimte) hecht ons van de tastbare wereld af
waar we nu zijn leven de doden. Als we terug komen bij de hutten
voelt iedereen zich zen. Iemand repareert een zonnepaneel

wie naar yoga of mindfulness moet
maakt haast

III

Eerst zochten we een steen
waarmee we goud konden maken.

Die hoop vervloog.

Nu bouwen we een tempel
van plastic. Het gaat daarbij

om de collectieve arbeid, niet
om wat er op het einde overeind staat

noch waarop het lijkt (een wade). Een schip
staat klaar in de oude haven. Mensen vinden

hun weg over glibberige stenen, de gebouwen
zijn vergaan tot beenderen van roestig staal,

met mos begroeid. Voor wie scheep gaat
schrijft een geestelijke oorkondes uit.

Meedoen biedt garantie op voedsel.

Na het ontwerp hebben we alles verzameld
dat was geen sine cure, er gingen generaties

overheen maar het project nadert
voltooiing. Wie bijdraagt wacht

eeuwige roem, een eervolle vermelding
in de annalen die sinds kort weer centraal

worden bijgehouden. Zo komt een cultus op gang:
Wie leidde ging te rade bij de oude Grieken,

de Romeinen, de Egyptenaren. We verzamelden
bronmateriaal en combineerden dat met archeologische

vondsten uit het noorden. We bliezen archaïsche woorden
nieuw leven in want na de schepen, voorbij de zeeën, op weg

naar de tempel wacht ons een bar niemandsland.
We spreken van een queeste, het doorkruisen,

een pelgrimage – de holle, holistische frasen
van een voorbije eeuw hebben nieuwe betekenissen

gekregen. Weet je, de wereld is haar vorm verloren
en dit is een onbeholpen zoektocht naar nieuwe

dieptestructuren. Niet langer bloeddorstig
verlangen we naar zwakte.