Categorieën
Non-fictie

Zwakke Plek

Zou ze komen? Die vraag ging die dag, en de dagen ervoor, vaak door mijn hoofd. Er waren tijdens onze vriendschap meer afspraakjes afgezegd dan doorgegaan. Die onzekerheid, mijzelf er constant van overtuigen dat ze het af ging zeggen om te voorkomen dat ik, wanneer ze het ook daadwerkelijk deed, gekwetst werd. Het werkte niet. Wanneer ze afzei was de teleurstelling niet te harden en werd ik kwaad. Dan appte ik haar dat ik het kut vond. Dat ik het haar kwalijk nam. Dan zei ik kwetsende dingen in een poging haar mijn pijn te laten voelen. Of eigenlijk om haar te laten merken hoeveel ik om haar gaf. Ik ben gestopt met tellen hoe vaak dit ritueel zich herhaalde. Door de ruzie die volgde had ik alweer spijt. Dan gaf ik haar gelijk en zei sorry, dan zei ze dat ze het begreep.

Ze wilde weer een keer afspreken. Ik las het berichtje drie keer. Ze zei dat we wat in te halen hadden. Wat hadden wij in te halen? Er was een reden waarom ik niks meer van me liet horen. Ik twijfelde of ik het haar wel goed verteld had. Nu ik daarop terugkijk besef ik dat ik dat toen niet heb gedaan. Ik had daar gewoonweg de ballen niet voor. Ze was te vertrouwd voor me, ik wilde dat niet kwijtraken. Natuurlijk zei ik ja. Ik had ook nee kunnen zeggen. Ik had haar gewoon netjes uit kunnen leggen dat ze me met rust moest laten en dat ze verder moest gaan met haar leven. Ik had zoveel kunnen zeggen maar ik zei ja.

Ze kwam. De opluchting was groot. We hadden afgesproken bij de Jumbo. De zon brandde fel vanaf de strakblauwe lucht. Er werd die junidag een temperatuur van boven de dertig graden gemeten. In de verte zag ik haar oversteken. Ze zag er bezweet uit, haar hoofd naar rechts om het verkeer te zien. Ik weet nog dat ik snel de andere kant op keek zodat ze dacht dat ze mij het eerste zag. Zo ontspannen mogelijk keek ik voor me uit. Zittend op mijn fiets met mijn voet tegen een paaltje om in balans te blijven.

‘Hoi,’ zei ze. ‘Hoi,’ zei ik. Het voelde vreemd om haar te zien, het meisje waar ik zo verlieft op was geweest. Het meisje dat ik verliet omdat ze mij, wellicht onbedoeld, heel erg pijn deed. Ze wilde een knuffel. Snel lieten we elkaar weer los. ‘Het is eigenlijk te warm voor een knuffel,’ zei ik. Dat beaamde ze en ze vroeg of we bij dat meertje konden zwemmen.
‘Welk meertje bedoel je?’ Vroeg ik.
‘Weet je dat niet meer?’ Zei ze verdrietig.
Toen begreep ik welk meertje ze bedoelde en zei dat ik dat prima vond. Tijdens het fietsen werden de gewone vragen gesteld: Hoe gaat het met je? Heb je nog iets meegemaakt? Hoe is het met de familie? We hadden elkaar een jaar niet gezien. Ik was er bijna trots op dat ik haar zo lang niet gesproken had. Het afgelopen jaar kwam het minstens één keer per dag voor dat ik haar wilde appen. Dat ik met haar wilde praten zoals we dat vroeger deden tot diep in de nacht om vervolgens verliefd in slaap vallen. Een jaar! Hoe was het mogelijk dat ik zo lang verlangde naar een meisje dat mij alleen maar aan een lijntje hield? Bij een onoverzichtelijke bocht fietste ik achteraan en keek naar haar krullen die dansten op de wind. Wat deed dit meisje met me? Ik ging weer naast haar fietsen en vroeg iets wat ik al een lange tijd wilde weten.
‘Heb je me gemist?’
‘Tuurlijk heb ik je gemist,’ zei ze. ‘Ik heb het op het moment alleen heel druk.’
Druk. Altijd was ze druk. Waarom ze het nu zei begreep ik niet. Wat had druk zijn met missen te maken? We zwegen een tijdje. Het was de wind die geluid maakte.
‘Waarom wil je eigenlijk afspreken?’ Vroeg ik.
‘Omdat,’ ze bleef even stil. ‘Waarom niet?’
Een antwoord had ik niet.

Bij mijn huis aangekomen liet ik haar op de stoep voor de oprit wachten. Ik moest mijn zwembroek pakken en wilde niet dat mijn ouders wisten dat ik met haar had afgesproken. ‘Je wordt niet gelukkig van haar,’ waren de woorden van mijn vader de laatste keer dat we het over haar hadden. ‘Ik wil gewoon niet dat ze je pijn doet,’ had hij daarna gezegd. Gesprekken over meisjes hadden we nauwelijks omdat het altijd voor ongemakkelijkheid zorgde. Toch was dat gesprek misschien wel de druppel, het laatste stootje in de rug om van haar af te kicken.

We waren we de enige. Ik keek om mij heen. Het strand, de bomen eromheen, van deze plek heb ik altijd gehouden. Zij en ik zijn hier vaak geweest. Mooie momenten waren dat, momenten die ik blijf koesteren. Glurend keek ik naar haar, hoe ze zich uitkleedde tot haar bikini. Haar strakke buik, haar mooie benen. Ze was nog steeds aantrekkelijk. Met tot onze heupen in het water spetterde ik haar plagend nat. ‘Nu kunnen we elkaar wel knuffelen,’ zei ik. Ik wilde haar testen, ik wilde weten of ze iets tegen die suggestie had. Dat had ze niet. We knuffelde. Haar koele blote buik tegen de mijne. Het voelde vreemd en toch vertrouwd. Hier stond ik. In het water met de vrouw waarvoor ik ooit mijn leven wilde geven. Het meisje dat mij telkens als een jojo aantrok en afstootten. Ik liet haar los.

Samen lagen we op de drijvende surfplank. Haar benen tegen mijn ribben, de mijne tegen die van haar, het paste net. We praatten zoals we altijd deden toen we elkaar nog vaak zagen. Het voelde niet anders, het voelde goed.
‘Dit had ik nodig,’ zei ik.
‘Ik ook,’ zei ze. ‘En vooral om dit met jou te doen’
We flirtten met elkaar, maakten grapjes, ik zei dingen tegen haar die ik alleen tegen haar zei. De onvermijdelijke vraag kwam. Ergens wist ik dat zij degene zou zijn die hem ging stellen.
‘Heb je nog wat met meisjes gehad?’
Ik gaf eerlijk antwoord. Ik zei dat ik wel met een paar meisjes had afgesproken.
‘Een paar?’ Vroeg ze. Het klonk beschuldigend, alsof ze insinueerde dat ik een player was.
‘Ja niet tegelijk hoor,’ verdedigde ik. Er zaten periodes tussen.’
We zwegen. Ik had er geen zin in. Ik had geen zin om over haar liefdesleven te vragen. We hadden het nu goed. Ik wilde die vibe niet kwijt.
‘En jij?’ Vroeg ik. Met moeite kwam het over mijn lippen.
‘Ik heb een vriend,’ zei ze rustig.
Ik geloofde haar niet. Sterker nog, Ik was ervan overtuigt dat ze een grap maakte. Toch knaagde er iets aan me. Die toon, haar blik. Ik kende haar te goed om te weten dat ze geen grap maakte. Maar wat doe ik dan hier? Dacht ik. Wat doen wij dan hier? Zo knus met onze blote huid tegen elkaar. Op een plek waar niemand ons ziet. Dit kan toch niet? Nee, ze moet een grap maken. Er kwam een vraag in mij op. Eentje waarvan ik wist dat haar antwoord alles zou verhelderen.
‘Wat vind je vriendje ervan dat wij met elkaar afspreken?’
‘Ik kies zelf wel wat ik doe,’ zei ze. ‘Hij kan me niks verbieden.’
Ze maakte geen grapje. Mijn gevoelens leken te verdwijnen. Ze spoelden weg van de surfplank in het water. Ik had hier over nagedacht. Hoe het zou voelen als zij een vriendje zou hebben en ik dat vriendje niet zou zijn. Er zat een klein wolkje boven ons, ik keek ernaar, het leek zich niet voort te bewegen. Het was mij duidelijk, ze was me weer aan het bespelen zoals alleen zij dat met mij kan doen. Ik was niet boos, ik liet haar. Ik was dit gewend. Hoe had ik kunnen denken dat het nu anders zou zijn? De rest van de dag gingen we vrolijk verder. Alsof er niks aan de hand was. Alsof het mij helemaal niks deed. Ik verbaas me erover hoe goed dat ging. Hoe goed dat masker bleef zitten. Pas later, toen we elkaar voor de ingang van de Macdonalds een knuffel gaven en we ieder een kant op gingen, zij linksaf ik rechtsaf, Toen kwam het, toen liet ik de tranen toe en stroomden ze over mijn wangen.