Categorieën
Non-fictie

Weiland

Weiland

Terwijl ik uit de auto stap, zie ik een plakkaat stront aan de zool van mijn laars kleven. Dat rook ik dus de hele rit. Ik sla de deur van de Volvo met een klap dicht en met één hand leunend op het dak probeer ik de poep zo goed en zo kwaad als het lukt aan de stoeprand af te vegen. Met een stokje uit de voortuin schraap ik de groeven in de zool schoon. Plak-kak. Typisch schapenstront. Vreemdelingenpoep hier op de stoep waar voornamelijk drollen te vinden zijn van designhonden, die je alleen gezelschap komen houden na een lange wachtlijstprocedure en het betalen van een fortuin. Niet dat de mensen hier daar wakker van liggen. Met een zucht steek ik de sleutel in het slot van de voordeur. Binnen is het stil. Ik ben in mijn huis, maar ik weet niet of ik thuis ben.

‘Ik stop ermee.’ Hij had het die middag tussen neus en lippen gezegd, onderwijl een saffie draaiend uit zijn shagetui. We stonden in mijn vaders weiland. Zijn eiland. Zijn land.
‘Hoe bedoel je?’ Mijn nekspieren verstrakten.
‘Nou, precies zoals ik het zeg, ik stop ermee. Het is mooi geweest.’
Het dialect maakte de boodschap pijnlijk echt. Alsof hij verpakt werd in een zeepbel van een ondraaglijke helderheid, die recht op me afzweefde en middenin mijn gezicht uiteenspatte.
Mijn vader hield zijn eeltige hand beschermend om de vers gedraaide sigaret heen, zijn hoofd hield hij schuin en toen stak hij hem aan. Terwijl hij de eerste teug diep inhaleerde keek hij in de verte. Zijn linkerhand stak hij in de buze van zijn met stront en aarde bevlekte spijkerbroek.
‘Pa’ zei ik met een geknepen stem, mijn blik in dezelfde richting als die van mijn vader. Eindeloos grasland dat altijd vol geweest was met ruimte, nu deed het ineens leeg aan.
Aan de horizon prijkte een kanjer van een windmolen.
Mijn vader wees er naar met z’n brandende sigaret en zei: ‘Da’s een goede investering geweest van de familie Bouma. Ze verdienen er flink aan. Maar je zou er maar naast wonen, godverdomme. Continu dat geluid van die wieken. Ik zou me aan zo’n wiek verhangen.’
Ik mompelde iets instemmends en zweeg waar ik altijd zweeg.
Hij nam een laatste trek van zijn sigaret en vermorzelde de peuk onder zijn klomp. Zonder iets te zeggen begon hij terug te lopen richting zijn ooit zelfgebouwde hok. ‘Kijk uit voor de stront!’ riep hij nog zonder om te kijken. Ik bleef staan en keek om me heen naar het land van mijn vader. Naar de grazende kudde schapen, onverstoorbare wolkjes, zwevend boven het groen. De mestbult aan de rand van het weiland met de kruiwagen ernaast. De oude roestige tractor onder het afdakje. Dit was de aan mijn ouders gerelateerde vanzelfsprekendheid, datgene waarvan ik niet wilde dat het ooit voorbij zou gaan. Ik dacht aan al die lammetjes die mijn vader hier ter wereld had gebracht, zijn arm tot de elleboog in het binnenste van het schaap. Hoe hij het beestje naar buiten trok en het glibberige diertje op de kop hield, terwijl hij met duim en wijsvinger het slijm uit het bekje verwijderde. Hoe hij het dan bij de moeder legde in de hoop dat het goed ging drinken. Meestal gebeurde dat, maar soms was een beestje te zwak of verstootte de moeder het. Dan kwam het onder de hoede van een liefdevol adoptieschaap en als dat er niet was nam mijn vader deze rol op zich. Soms, als de zuigeling heel kwetsbaar was, nam hij het mee naar huis.

Zo was daar Lenny. Een zwart, te vroeg geboren lammetje, klein als een slanke jonge kat. Mijn vader nam het beestje mee naar huis, in een kartonnen doos met wat hooi. Een donker laagje wol op een rimpelend velletje, de grove poten uit verhouding met het kleine lijfje. We legden de doos voor de gaskachel. Het buikje ging snel op en neer, zijn kopje had hij op zijn voorpoten gelegd, de oogjes dicht. Mijn moeder had melk opgewarmd en probeerde er met de fles wat in te krijgen. Het grootste deel liep langs het bekje weer naar buiten. Ik draaide in die tijd het liefst cd-tjes van Lenny Kravitz en vernoemde het diertje naar hem, vanwege zijn donkere krulletjes wol.
‘Hou er maar mee op’, zei mijn vader. ‘Dit heeft geen enkele zin.’
‘Shhht’, zei mijn moeder ongewoon fel. ‘Je hebt hem toch zelf meegenomen? We hebben het nog niet eens geprobeerd.’
‘Precies!’ snauwde ik op mijn tienertoon. ‘Wou je hem zomaar dood laten gaan!?’
‘Zelf weten’, mompelde mijn vader en liep weg.
De hele avond probeerden we Lenny te laten drinken. Soms kreeg hij een slokje binnen en op een gegeven moment tilde hij zelfs zijn kopje op en deed hij zijn oogjes open. Voor de nacht had mijn moeder haar wekker gezet om hem nog een extraatje te kunnen geven.
De volgende ochtend kwam ik beneden en was de doos weg. Mijn moeder had het diertje dood aangetroffen, ze vertelde dat het lijfje al koud had aangevoeld. ‘Je vader heeft het al meegenomen naar het schapenhok’, zei mijn moeder toen ik verdrietig en verontwaardigd aangaf dat ik het beestje nog wel even had willen zien. ‘Zo gaan die dingen nou eenmaal, dat is de natuur,’ zei ze, maar haar stem klonk gesmoord en ze had zelf tranen in haar ogen.

Zoals een slang zijn vel uit trekt, begon zich in de jaren daarna een andere wereld te vormen uit mijn oude. Ik kreeg nieuwe vrienden, ging wonen in een stad, leerde anders eten, kreeg andere ideeën en ging me uitgesprokener kleden. Dat oude vel was comfortabel geweest en had zijn dienst bewezen, maar nu lag het te verschrompelen in een verre uithoek van mijn kast. Ik zorgde er niet goed voor, maar kon het ook niet wegdoen. Ik zocht naar manieren om het te koesteren en telkens als dat niet meer goed lukte werd het voorjaar. Dan belde ik naar huis en werd ik op de hoogte gebracht van de geboorte van het eerste lammetje. Daarna de updates: ‘Je vader heeft nu 7 lammetjes. Twee tweelingen en één drieling. Helaas ook twee doodgeborenen.’
‘Ach nee’, zei ik dan, oprecht meelevend.
Het was een gouden lijntje tussen onze twee ver van elkaar afgedreven planeten. Iets gezamenlijks. Iets wat ervoor had gezorgd dat ik het oude vel inmiddels goed verzorgde en opgeborgen had op een speciale plek.

Ik begon te lopen richting het schapenhok, waar mijn vader zojuist in was verdwenen. Waar ik normaalgesproken, als in een experimentele dans, om de plakkerige schapendrollen heen manoeuvreerde, liep ik nu in een onverschillige rechte lijn richting hok.

Even later zaten we aan de koffie. Ik deed een poging het een onderwerp te laten zijn.
‘Maar pap, wanneer dan eigenlijk?’
‘Wat?’ Hij las verder in de krant, althans, hij keek naar de letters.
‘Nou ja, wanneer ga je dan stoppen en wat gebeurt er dan met de beesten en het land?’
‘Tja, dat weet ik allemaal nog niet.’ Zijn ongemak vermomde zich als ongeduld. ‘Ik hoop dat iemand het wil kopen. En Willem wil wel een deel van de schapen overnemen.’ Hij sloeg de bladzijde om.
Plotseling keek hij mij doordringend aan. Er staken lange, grijze haren uit zijn wenkbrauwen. Hij was ouder geworden maar in hem schemerde nog onmiskenbaar die jongen die hij ooit was en die ik van foto’s kende. ‘Overal komt een eind aan, dat is gewoon zo. Daar moet je niet zo dramatisch over doen. Bewaar dat psychologengedoe maar voor je werk.’
Hij boog zich weer over de krant.
‘Hoe is het eigenlijk op je werk?’ vroeg hij zonder mij aan te kijken. Op de pagina voor hem stond een grote foto van een oud echtpaar. Ze waren 60 jaar getrouwd en werden gefeliciteerd door de burgemeester, die ernaast zat. Ze keken glunderend de camera in. Op hun ineen geklonken handen zag ik een traan vallen, die mijn vader snel wegveegde. Hij pakte zijn rode boerenzakdoek uit zijn broekzak en snoot luid zijn neus.
Mijn moeder zweeg en drentelde met de koffiekan rond. Ondertussen hield ze me een pakje chocolaatjes voor, die ik eerder al had geweigerd. Ik schudde mijn hoofd en pakte de tv-gids, die voor me lag.
‘Goed’ mompelde ik, roerend in mijn koffie. Wat was ik graag dat klontje suiker geweest, verdwijnend in de warme vloeistof. Ik had buikpijn.
‘Ik ga er zo weer vandoor, ik moet nog een eind rijden.’