Categorieën
Non-fictie

Wéér!

Wéér!
De Dood heeft me bij de kladden. Weer. Hij heeft me wéér bij de kladden. Zijn benige vingers boren zich in mijn vrouwenvlees en drukken het neer op kussens en matras, in mijn grenenhouten eenpersoonsbed. IJzersterk blijkt dat magere gratenpakhuis. Hoe ik me ook verzet om onder hem uit te komen, hij heeft me zo stevig in de greep, dat me dat met de beste wil van de wereld niet lukt. Andere dagen zou ik misschien nog een kans maken, maar in deze tijd van het jaar, van de donkere dagen voor Kerst, van grauwe ochtendnevels die de zon verbergen en alle licht omfloersen, op de twaalfde van de twaalfde…
De twaalfde van de twaalfde vormt een kringelende stenenplons op mijn kalender. Is het toeval dat juist in aanloop naar deze dag de klieren van mijn keel en hals aan het klieren zijn? Dat in de t.v.-serie ‘Exit’ op Canvas 1 hoofdrolspeelster Hermine door haar man Adam in een wurggreep tegen de badkamermuur gedrukt wordt? Adam, die net als hoofdpersoon Tom Kendrick in de t.v.-serie ‘Deadwater Fell’, ook op Canvas 1, een egocentrische, overheersende, manipulerende, liegende en bedriegende en geweld niet schuwende gast is?
Liever hebben we het niet over zulke figuren. Liever gaan we die uit de weg. Met een beetje pech vallen we echter aan hen ten prooi.
Zeker als we gevoelig zijn voor het leed van de ander en daar extra gevoelig voor zijn door de nodige kleerscheuren die we in onze vroege jeugd hebben opgelopen, lopen we dat risico. Zeker als we van het vrouwelijk geslacht zijn, omdat we dan ook nog eens op onze gevoeligheid gesocialiseerd worden. Als we geleerd hebben er het zwijgen toe te doen. Zeker met een vader die als oplossingsmethode voor conflicten hanteert: “Zand erover, we praten er niet meer over.” Die zelf geen verantwoordelijkheid voor zijn eigen handelen neemt, en daarmee wegkomt. Vrouwen hebben namelijk de neiging zich achter hun partner te scharen, vooral als ze economisch afhankelijk van hem (of haar) zijn. Zo laten moeders hun kinderen in de kou staan.
Zo is het mij in elk geval vergaan. En ik liet me monddood maken, de PvdA-slogan van de Onderwijsnota van Van Kemenade in de jaren zeventig: “Meer mensen mondig maken”, ten spijt. Ook al zorgde deze Marie dat ze wijzer werd, echt haar mond opendoen en van zich laten horen? De keren dat ik zo moedig was, kwamen me telkens duur te staan.
Ik heb er mijn thuisbasis door verloren, het contact met mijn vader, moeder, broers en zussen, mijn vertrouwde omgeving, buurtgenoten, vrienden, vriendinnen. Ik heb er mijn kans op een stabiele, intieme relatie door verloren. Mijn passie en dromen van onderwijsvernieuwend werken. Mijn arbeidsvermogen, gezondheid en vitaliteit. Mijn gevoel van veiligheid en vertrouwen in het leven, mijn vermogen me te verbinden met anderen en gelijkwaardige relaties op te bouwen, ten langen leste notabene ook met mijn beide dochters en hun partners. Daarmee is mijn perspectief op een gezellige oude dag verloren gegaan. Reflectie, openheid en eerlijkheid lijken wel erg veel gevraagd…
Ineens verlang ik naar mijn oude typemachine. Rood en van plastic was ze, veel hipper dan die zware, zwarte bakbeesten die intussen antiek zijn. Ik kon haar in haar koffer overal mee naartoe nemen, al kwam ze mijn huis niet uit. Ik sjouwde haar wel tussen de verdiepingen heen en weer en door de kamers. Overal in huis streek ik neer om de schrijfster in mezelf tot leven te wekken, eruit te slaan wat me dwars zat en bezighield, en mijn dromen zwart op wit te dromen.
Ik kon lekker op haar hameren en slaan. Haar toetsen gaven geluid. Weliswaar niet zo oorverdovend als bengende pannendeksels zoals om mij heen met Luilak in de Zaanstreek, waar langslapers op Paaszaterdag voor dag en dauw hun bed uitgejaagd werden, maar toch… Alles gaf geluid: de ratel bij het opdraaien van het papier tot het op precies de goed plek zat om te beginnen, het pingeltje aan het einde van de regel ten teken dat ik de hendel moest overhalen om naar de volgende regel te kunnen. de ‘rtsjch’ als ik het papier eruit trok, als ik stopte. Het blad liep mee met wat ik schreef. Het draaide rond en kwam omhoog uit de sleuf. Het maakte schrijven tot een levendig, dynamisch proces.
Tot de inktlinten en correctiepapiertjes niet meer verkocht werden. Ik moest met mijn tijd mee. De commercie en technologische vooruitgang dwongen mij daartoe. Ik moest een elektrische aanschaffen, of, nog luxer, een personal computer. Wat een armoe, wat een droefenis! Gekort op mijn inkomen door mijn langdurig ziekteverlof was het al moeilijk genoeg om de eindjes aan elkaar te knopen. Hoe kreeg ik dát geld bij elkaar geschraapt?
Mijn geest verlamde, de Dood knaagde aan mijn botten. Ik viel terug op mijn oude, vertrouwde vulpen en kraste het ene na het andere schriftje vol. Maar het gaf me niet hetzelfde gevoel als op de typemachine. Alsof ik terugkeerde naar mijn jonge jaren. Alsof met het heengaan van de typemachine mijn volwassen vrouw-zijn me was ontstolen. En erger nog, mijn schrijfstersdroom die in de stapels papier vol getypte woorden concreet en tastbaar vorm aan het krijgen was.
Tot de man die ik tussen mijn twee huwelijken vier jaar lang aan en uit mijn vriend noemde -en met wie ik zelfs een tijdje samenwoonde en trouwplannen had, verlangend samen een ‘echt’ gezin te vormen, met mijn dochter, en misschien nog een kind van ons samen – mij een personal computer verschafte. Hij kocht een nieuwe voor zichzelf, ik mocht zijn oude gebruiken. De plastic doos met floppies raakte steeds gevulder. Maar toen onze relatie definitief flopte, gaf ik hem terug wat van hem was – ook de pc, het toetsenbord en de monitor. De doos met de zwarte schijven verdween in de kast, de vulpen kwam er weer uit tevoorschijn. Notitieblokken en –boeken vervingen de schriftjes.
De dans die ik met de Dood danste, speelde zich in die relatie keer op keer af, misschien wel omdat hij zo lang en slank was, en zo bleek van huid, als de Dood van Pierlala zelf. Nu eens stond ik enthousiast, vrij, blij en vol vertrouwen, in het leven, dan weer zoog een moeras van verwarrende gedachten, gevoelens en emoties me vast. Spartelend vechtend voor mijn leven sloeg ik in die zuigende diepte om me heen op zoek naar houvast. Ik klauwde en klampte me vast aan elke spriet of halm. Aan elke wortelstok. Zo worstelde ik me door de modder omhoog, tot ik aan het uiteinde de bladeren en bloem van de lotus vond en de schoonheid van het leven weer kon ervaren. Puur, zacht en zuiver.
Terwijl de Dood op afstand bleef loeren om, zodra de kans zich zou voordoen, zich krakend en knarsend, slurpend en slobberend te goed te doen aan mijn gebeente en ingewanden, schreef ik. Immers, wie schrijft, die blijft. Ik schreef me door donder en bliksem, neerkletterende regenbuien, bulderende stormvlagen, ijzige vrieskou en verzengende, verschroeiende hitte heen. Ook wanneer alles maar lauw, lauw was, hield ik me al pennend op de been. Later slaand op mijn elektrische typemachine, aangeschaft uit mijn spaarpotje voor de kinderen, omdat ik mijn schrijfambitie serieus wilde nemen. Een dag niet geschreven was tenslotte een dag niet geleefd.
Ik krabbelde steeds weer op. Het onverwoestbare kind in mij blies mij steeds weer nieuw leven in. En jong geleerd, oud gedaan: door voor anderen te zorgen leerde ik voor mijzelf te zorgen en mijn eigen goede ouder te zijn.
Bovendien, naarmate ik de samenhang tussen mijn wisselende stemmingen en de heftige, traumatiserende gebeurtenissen die me overkomen waren, ontdekte, was ik ook steeds beter voorbereid op de confrontaties met die duistere macht die het op mijn leven voorzien had en volledige overgave van me eiste. Ze werden tot kringelende stenenplonzen op de kalender.
En nu, op de twaalfde van de twaalfde, de dag dat mijn eerste echtgenoot er bijna in slaagde mij, voor de slaapkamerdeur van ons dochtertje, met een wurggreep tegen de wandkast in de tussenhal van mijn eigen flat – we waren al uit elkaar – om zeep te helpen, hunker ik naar mijn tikmachine. Ik wil tikken, tikken, tikken… om niet getikt te worden.
Maar ik moet me tevreden stellen met schrijven op de laptop. Weliswaar ben ik reuzeblij met deze blinkende partner-in-crime, alleen mis ik het klankwerk van de metalen armpjes en hamertjes van de toetsen – al klonken die lang niet zo melodieus als die houten van een piano of vleugel op hun snaren. De tikken blijven uit. Af en toe puft en zucht hij, terwijl hij mijn woorden opslokt, verder is hij stil.
Ik zet me eroverheen, grijp mijn schrijfbuddy bij zijn kladden en hamerend op het toetsenbord voor het maximale geluid rammel ik de Dood mijn bed uit. Weer mijn bed uit. Wéér! Tot de macht van het getikte woord die groezelige schim uit mijn verleden zwart op wit ontdoet van zijn verweer, en mijn verhaal met één druk op de knop de wereld in is.