Categorieën
Non-fictie

Wat er tussen je ribben blijft zitten

Iets dat relatief licht is, kan toch zwaar wegen op een mensenleven. Als ik mijn vingers helemaal strek, kan het plat op de palm van mijn hand blijven liggen. Het weegt slechts 239 gram. Voor een fanatiek klimmer is dat niets: netten sinaasappels en dozen kattenbakvulling kan ik aan één of twee vingers optillen. Ik heb het nu zo’n tien jaar. Acht pond en negenennegentig pence heb ik er voor betaald. Na aanschaf maakte het een bootreis van Engeland naar Nederland en reisde het verder in een verhuisdoos. Hoewel ik er niet zuinig mee ben omgesprongen, is alleen aan de onderste rand wat slijtage voelbaar: kleine vouwtjes in het karton, een hoek die onbedoeld is afgerond.

In mijn hoofd weegt het bewuste object veel zwaarder dan dat halve pak suiker, ook al heb ik er tijden niet aan gedacht. Niet de stoffelijkheid, maar wat het in mij teweeg heeft gebracht, is me dierbaar. Een beetje als een doodgewoon schelpje dat je in je zak stopt na een fijne dag aan het strand, of een dennenappel die je opraapt tijdens een boswandeling met je beste vriend. De herinnering blijft hangen tussen de ribbeltjes van de schelp, tussen de stekels van de appel, en vervolgens komt de dennenappel op je bureau terecht, de schelp op je vensterbank. Verhuist de schelpencollectie mee naar een volgend huis.

Zo ook deze paperback. Er staat van alles in de kantlijn gerabbeld, zoals ‘Zie Dharma Bums’, op bladzijde 10, in zwart, ‘Some of Kerouac’s best descriptions are on hoboos’, op bladzijde 77, in blauw, en ‘Beats: anti-establishment’, op bladzijde 221. In het hele boek vind ik zowel dikke als voorzichtige onderstrepingen, die vertellen wat me moet hebben geraakt, wat ik interessant vond: karakteriseringen, stukjes informatie die te koppelen zijn aan het leven van de auteur, geografische indicaties, zinnen vol klinkerrijm, frases waarin ik mezelf herken, taal die overloopt van levenslust en avontuur.

Tien jaar geleden vormde ‘On the Road’ van Jack Kerouac (de Penguin Modern Classics-editie) de voornaamste inspiratiebron voor een bachelorscriptie over allerlei figuren die een vrij en bandeloos bestaan leidden, en die in de Amerikaanse populaire cultuur nog altijd worden verheerlijkt. In de jaren die volgden werden ‘de Beats’ mijn literaire helden, reisde ik ze tot in Tanger achterna.

Wie was ik toen ik dat boek met die mooie zwart-wit cover kocht, toen ik die scriptie schreef? Ben ik veranderd? Begreep ik het eigenlijk wel? Wat zou er gebeuren als ik ‘On the Road’ herlees? Snap ik dan eindelijk wat Kerouac bedoelde met ‘don’t you know that God is Pooh Bear?’ – een zin die ik altijd even vreemd als prachtig heb gevonden? Is die ene zinsnede de reden dat ik afgelopen zaterdag het boek ‘The Tao of Pooh’ heb gekocht? Moet ik dan ook maar Winnie de Poeh gaan lezen?

In het jaar nadat ik de scriptie had geschreven, zei een vriend tegen mij: ‘Jij bent net een Engelse lady. Je wil alles proberen, maar wel voorzichtig.’ We waren met onze studentenvereniging op reis in Andalusië. Ik droeg een kakibroek (ook bij Kerouac favoriet) met een lichtblauw overhemd en had net mijn eerste sigaar gerookt. Dat wil zeggen: ik had van een andere vriend een paar trekjes gekregen. We stonden bovenop het dakterras van het hostel. Ik leunde over de balustrade, blies de rook uit en genoot van het uitzicht over de oude daken van Granada.

De allereerste zin die ik in het boek heb onderstreept staat in de inleiding:  ‘At the age of nineteen, as he later said, he was ‘independent, nutty with independence, in fact,’ and decided that he didn’t need to finish college because he ‘had his own mind.’ He wanted to become ‘an adventurer, a lonesome traveller,’ so that he could be a great American novelist in the tradition of Jack London and Thomas Wolfe.’

Op het moment van onderstrepen zat ik in het derde jaar van mijn studie en studeerde ik in Engeland aan de University of Hull, in Yorkshire. Ik werd dat jaar geen eenentwintig, zoals de meeste van mijn klasgenoten, maar tweeëntwintig. Na mijn eindexamen had ik namelijk een half jaar gereisd, van geld dat ik zelf had verdiend. Mijn negentiende verjaardag vierde ik aan de andere kant van de wereld, in Cairns, Australië – nutty with independence.

Naast ‘On the Road’ kocht ik dat jaar in Hull twee boeken van Carl Gustav Jung. De eerste, ‘Modern Man in Search of a Soul’, las ik op mijn Engelse kamertje, met een potlood in de aanslag. De tweede, ‘Aspects of the Feminine’, las ik pas een paar jaar later. Ook in Jung zette ik mooie strepen en krabbels – iets wat ik normaal alleen in studieboeken doe.

In zijn essay ‘Animus and Anima’ vertelt Jung over het onbewuste mannelijke dan wel vrouwelijke gedeelte van de psyche, waarin ervaringen met het andere geslacht liggen opgeslagen, die onbewust invloed uitoefenen op ons denken en gedrag. Waar dit deel, de anima, bij mannen vaak op één vrouw wordt geprojecteerd, projecteren vrouwen hun animus op een soort comité van wijze oude mannen. ‘The animus,’ schrijft Jung, ‘is rather like an assembly of fathers or dignitaries of some kind, who lay down incontestable, “rational,” ex cathedra judgements.’

Meer dan eens heb ik me afgevraagd of de Beat schrijvers die ik zo graag las en figuren als Robert Kennedy en Jim Morrison niet tezamen mijn comité van wijze oude mannen oftewel animus vormden. Ik heb er zelfs een verhaal over geschreven, waarbij ik een aantal van mijn helden in het jaar 1969 met elkaar aan tafel zet in mijn denkbeeldige loft in New York City, waar ik een feestje voor ze geef. Het verhaal eindigt in een soort mini-essay, waarin ik me afvraag van wie ik deze mannelijke voorbeelden had gekregen en concludeer dat ze me niet van buitenaf werden opgedrongen, maar dat ik ze zelf had uitgekozen. En, dat je op dode helden beter kunt projecteren dan op levende.

Jung schrijft dat alles wat onbewust is, wordt geprojecteerd, dat het de functie van de animus (bij mannen: anima) is om de relatie met het onderbewuste te vergemakkelijken en te fungeren als een soort brug. Als dat zo is, en als dit comité van Amerikaanse helden uit de jaren 60 een projectie van mijn animus was, wat projecteerde ik dan op hen? Welk verborgen deel van mezelf bracht ik via hen tot uiting? Mijn hang naar avontuur? Mijn seksdrive? Mijn literaire ambities? Kun je überhaupt weten hoe je animus eruit ziet? Snapte ik Jung eigenlijk wel?

Misschien wel het beroemdst wat Kerouac ooit heeft geschreven is dit fragment uit ‘On the Road’: […] and I shambled after as I’ve been doing all my life after people who interest me, because the only people for me are the mad ones, the ones who are mad to live, mad to talk, mad to be saved, desirous of everything at the same time, the ones who never yawn or say a commonplace thing, but burn, burn, burn, like fabulous yellow roman candles […]

Het is een prachtig citaat. Toch is het ook wat treurig. ‘Living vicariously’ noemen Amerikanen dat: spannend leven uit de tweede hand. De ‘mad one’ waar Kerouac aan refereert, verschijnt ten tonele in de vorm van Dean Moriarty, die als volgt wordt geïntroduceerd: Dean’s intelligence was every bit as formal and shining and complete, without the tedious intellectualness. And his ‘criminality’ was not something that sulked and sneered; it was a wild yea-saying outburst of American joy; it was Western, the west wind, and ode from the Plains, something new, long prophesied, long a-coming …[…]

Nu ik deze passages herlees, die ik op dat kamertje in Hull onderstreepte, vraag ik me af: was een klein deel van mij net als Sal? Wilde ik net als Sal Paradise meer zoals Dean zijn? Wild, vrij en toch belezen en intelligent? Of is dat te makkelijk? Waarom lezen we de boeken die we lezen? Wat gebeurt er met de inhoud van een boek nadat je het tot je hebt genomen? Wat doet je geest ermee?

Nu zie ik in deze fragmenten opeens literaire verwijzingen die ik eerder helemaal niet heb opgemerkt – naar Percy Bysshe Shelley’s beroemde gedicht ‘Ode to the West Wind’ en naar Genet, het verheerlijken van de dief – en denk ik aan de critici die in deze roman de invloed van James Joyce zagen. ‘Ulysses’ heb ik nog steeds niet durven lezen en ook in ‘Dagboek van een Dief’ ben ik gestrand. Waar de ene klassieker deel wordt van wie je bent en tussen je ribben terechtkomt, glijdt de ander als een zandkorrel van je af.

Op zichzelf zeggen die krabbels in de kantlijn niet zo veel. Wél vormen die 239 gram papier, karton en drukinkt de stoffelijke bewijslast voor iets veel groters, namelijk voor het denkwerk dat ik heb verricht, de scriptie die ik schreef, de reizen die ik maakte. Voor hoe ik nu mijn leven leid, avontuurlijk durf te zijn. Zelf ben gaan schrijven. Net als Kerouac.