Categorieën
Non-fictie

Vrijheid aan zee

Vol spetters en plezier,
draait ze gierend rond in zee,
de ene flits na de ander,
zo neemt ze haar Instagramvolgers mee.

Dat spelen om heel iets anders gaat,
dat ziet ze niet.
Ze voelt het wel,
maar begrijpt het niet.

Ergens diep vanbinnen,
wacht een sprankje, een prachtige zonnestraal,
tot ze vrij kan spelen,
zonder blokkade, zonder omhaal.

Toen ik nog een kind was voelde ik me zo vrij en energiek, ik was altijd op avontuur of ontdekkingsreis. Vol fantasie en enthousiasme kon ik van alles iets leuks maken. Maar nu, nu voelt het alsof dat niet meer kan, alsof dat niet meer mag. Alsof een volwassene niet mag spelen.

Als een kind over straat huppelt, genieten de meeste voorbijgangers van de vrolijkheid en speelsheid van het kind. Het herinnert ze aan iets van zichzelf, iets van vroeger.
Maar wanneer een volwassene dat doet, denkt iedereen dat er een steekje loszit. Of althans, zo voelt dat in elk geval. En ik vraag me af: op welk moment hebben we onszelf het recht tot spelen ontzegd? En nog belangrijker: waarom?

Ik mis die ongedwongen vrolijkheid en eindeloze stroom aan energie. De zorgeloosheid van in het moment leven. Ik ben een vrij mens en kan doen en laten wat ik wil, maar om de een of andere reden voelt het alsof dat niet zo is. Terwijl ik dit schrijf zit ik op het strand en wil ik een zandkasteel bouwen, in de zandsporen van de tractor lopen en rondrennen zonder doel of eindbestemming. Maar ik durf het niet.
In plaats daarvan heb ik het gevoel dat het zandkasteel op z’n minst moet dienen voor een bouwtechnisch ontwerp of de tractorsporen voor een Instagram-post met een inspirerende quote over ‘de weg des levens’. Of dat ik moet hardlopen in een bijpassende outfit in plaats van in het wilde weg rond te rennen in een bikini. Ik zit vast, op m’n handdoek, met het idee dat dat is wat een volwassene doet. Kon ik nog maar kind zijn, dan was het zoveel makkelijker.

Er komt een man aanlopen met een yogamat onder z’n arm, zoekend naar de juiste plek in het zand. Zomaar uitrollen lijkt geen optie; de grond moet goed vlak zijn, en er moet sprake zijn van zicht op zee. Zijn intenties voor een yogasessie aan het strand lijken uiterst serieus en ik vind het heel erg volwassen. Maar even later gaat hij aan de slag en bewonder ik zijn moed. Hij trekt zich niets aan van wandelende voorbijgangers en hun eventuele mening. In volle glorie voert hij zijn oefeningen uit, iets wat ik in m’n eentje niet zou durven.
Even verderop duiken een vader, zoon en hond gezamenlijk de wilde zee in, weer iets wat ik niet durfde te doen, zo hier alleen, in de vroege ochtend. En als kers op de taart loopt er een meisje voorbij met in haar hand een teddybeertje en een klein opblaasbootje. Vlak voor m’n neus zet ze met veel zorg en aandacht de beer in de boot, waarna ze het bootje in het water laat zakken. Ze maakt een paar foto’s en ik vermoed dat ze een jaar of twintig is. Geboeid blijf ik naar haar kijken en ik zie hoe ze na een paar minuten de fotosessie afbreekt en de beer in haar rugtas stopt. Het natte bootje houdt ze in haar hand. Terwijl ze haar reis voortzet wil ik haar vragen of ze samen wil zwemmen, maar ik durf niet en kijk slechts toe hoe de afstand tussen ons steeds groter wordt. Als ik het haar nu nog wil vragen zal ik moeten schreeuwen, of hard rennen. Waar ik als kind spontaan vriendschappen sloot, zit ik als volwassene aan m’n strandhanddoek genageld. Geplaagd door onnodige gedachtes over haar afwijzing of wat te doen wanneer blijkt dat we het samen niet gezellig hebben.

Starend over zee weet ik dat er nog slechts één ding is dat ik kan doen: een zandkasteel bouwen. Ik hijs mezelf overeind en ga aan de slag. De eerste zandverschuivingen voelen wat onwennig: zit ik hier echt in m’n eentje een zandkasteel te bouwen? Maar algauw ga ik er volledig in op, vergeet ik alles. Zelfs m’n leeftijd.