Categorieën
Non-fictie

Twee eeuwen

Lieve Florentine,

Terwijl de wereld in de ban is van een pandemie, lees ik in het dagboek, dat jij 200 jaar geleden schreef. Ik lees het en herlees het en ik voel me thuis bij je. Onze achtergrond en onze levens zijn zo verschillend, toch laten jouw dagboeken mij niet los, zou ik alles van je willen weten. Ik bespeur een gevoel van heimwee, een verlangen je te leren kennen.

Laat ik je eerst vertellen hoe ik aan je zestien dagboeken gekomen ben. Eigenlijk zijn het niet eens je eigen dagboeken die ik gelezen heb, maar uittreksels. In jouw tijd was het papier ruw van de houtsnippers en je schreef met een veer. Het was moeizaam leesbaar en daarom besloot jouw kleinzoon Ernst dat het uitgetypt moest worden, een techniek van machinale letters op mooi glad papier. Je zou het zeker interessant gevonden hebben, je stond open voor alle nieuwigheden, zoals stoommachines en elektriciteit.

In 1945 gingen je dagboeken verloren door dom oorlogsgeweld, maar gelukkig, de uittreksels zijn er nog en die zijn uiteindelijk bij mij – je achterachterkleinkind – terecht gekomen. Als we tijd hebben, vertel ik je het hele verhaal nog wel eens. Er is veel gebeurd en veranderd in die twee eeuwen: hoe leefde je in jouw tijd? Over praktische zaken als huishouding, opvoeding van de kinderen en het uitgaansleven heb je uitgebreid in je dagboek geschreven. Maar hoe voelde het, toen in het begin van de negentiende eeuw een cholera-epidemie was uitgebroken.

Een van je zes zoons maakte een reis door Amerika om de taal te leren en zakenrelaties te bezoeken, twee andere zoons reisden door Europa ter voltooiing van hun opvoeding. Je kreeg sporadisch bericht, wat zul je in angst geleefd hebben. Je eigen leven ging ondertussen door, maar je hield nauwlettend de cijfers van de cholera-doden bij: in de kranten van Breslau, waar je woonde, werden wekelijks de doden vermeld, inclusief de straten waar ze woonden! Toen het zomer werd vertrok je met je gezin en het personeel naar jullie buitenhuis. Dat deden jullie ieder jaar om de stank van de stadsriolering te ontlopen, achteraf weten we dat de besmetting vooral via het riool doorgegeven werd. Geen van de familieleden is aan de ziekte bezweken, maar twee van je kinderen kwamen niet terug van hun reis, Anton overleed in Bohemen aan roodvonk, Theodor overleed in Boston, de oorzaak is nooit bekend geworden.

Hoe overleef je dit? Je had ook al twee jonge kinderen verloren. Je vertrouwen in God ontroert me, je legde al je zorgen in Zijn handen en ging zelfs zo ver dat je blij was dat je kinderen nu in Gods handen waren en dus tijdens hun leven geen zonden meer konden begaan. Dit is en blijft voor mij, maar klaarblijkelijk ook voor je man, onbegrijpelijk. Klampte je daar aan vast of voelde je het echt zo?

Ging men in jouw tijd anders om met de dood? Binnen een week na de dood van Anton gingen je man en jij naar Berlijn, de andere zoon Paul tegemoet, dat kan ik begrijpen, de jongen was 18 jaar en moest daar de zaken rond de dood van zijn broer regelen. Maar wat ik absoluut niet kan begrijpen, is dat jullie dit zagen als een mooie reis, je bezocht musea, ging naar concerten en theater en gaf commentaar op de blijspelen, die je tegenvielen. Op de terugweg mijmerde je: “Hoe anders zou het geweest zijn als Anton erbij was geweest”. En dat waren de enige woorden die je in je dagboek over zijn dood schreef.

Je had een druk leven: een groot huis in Breslau met inwonende familieleden en zakenrelaties uit Moskou, Londen, Bordeaux, die ook niet voor één nachtje kwamen. Gelukkig had je genoeg personeel, maar je hield wel altijd de vinger aan de pols, wekelijks maakte je de balans op met je kokkin. De hoeveelheid was moet gigantisch geweest zijn en je klaagde ergens dat je lakenuitzet al na tien jaar versleten was.

Toen je 50 jaar werd liet je man Karl een portret van je maken. Het is aan je te zien dat je veel meegemaakt hebt, zelf schreef je dat je geen zin had om te poseren, je had er het geduld niet voor, je bent je hele leven een doener geweest.

Weet je, Florentine, mijn leven is uiteraard anders, je kunt je geen voorstelling maken hoé anders. Maar net als jij heb ik kinderen en kleinkinderen, ik werk en ga graag naar theater en concerten, ik bridge, ik lees, ben eigenlijk ook altijd bezig, maar dat is de buitenkant. Onze gevoelens, de angst een kind te verliezen, de slapeloze nachten vol zorgen, verdriet en eenzaamheid, dat is de binnenkant die we beiden kennen. Ik lees hoe jij in iedere situatie berustte, terwijl ik altijd opstandig ben en op praktische wijze probeer oplossingen te vinden.

De pandemie zet ons leven op zijn kop, wat is waar, wat is niet waar? Er is onvrede in het land, wat agressie tot gevolg heeft. Ik leef vanuit onrust, een haast, een gedrevenheid, alsof er dingen afgemaakt moeten worden voordat het te laat is. Er komt zoveel op ons af, informatie van over de hele wereld, het is bijna niet te bevatten.
In jouw tijd was er de dreiging van de langstrekkende Franse soldaten op weg naar Rusland en weer terug, je schreef over het ongemak, je frustraties over de plunderingen, maar je aanvaardde wat er op je weg kwam. De rust die jij uitstraalde, ondanks alles wat je meemaakte, maakt me jaloers, wekt een verlangen in mij. Is het omdat het leven ondanks alle drukke bezigheden toen eenvoudiger was?

Je hebt je destijds afgevraagd hoe het over 80 of 90 jaar zal zijn en of je dagboeken nog door iemand zullen worden gelezen, je hoopte er zelfs op. Ja, ik lees ze en herlees ze en jouw verhalen geven me steun en inzicht. Wat er ook gebeurt, we moeten aanvaarden wat ons overkomt. In welke tijd we ook leven, gevoelens en emoties blijven hetzelfde. En die heb je willen delen, mijn dank daarvoor.

Je Guze