Categorieën
Non-fictie

Totale ruimte

Zo eenvoudig kan het zijn. Ik stap in, de dag is nog onbevlekt, de trein zet zich in beweging. De afstand tussen mijn rug en woonplaats vergroot zich allengs en daar is hij dan, die kriebel, die ergens tussen ribben en maag ontspringt en zich verspreid naar hoofd en benen. Het is de opwinding van het reizen – van het gaan – en ze voelt nog even vers en onschuldig als toen ik tien was. Ze vervult me met lichtheid, die opwinding, en is tegelijk vol van verlangen naar het verre, naar het al.
Op de radio hoorde ik de weduwe van Wubbo Ockels vertellen dat ze haar man na zijn ruimtereizen regelmatig aantrof op de bodem van het zwembad. Alleen daar kon hij enige troost vinden voor zijn heimwee naar het heelal: daar, in het water, waar hij zich voor een ogenblik weer even gewichtloos waande.
In het onder-weg-zijn, in de voortstuwende kracht van de trein ervaar ik een soortgelijk gevoel van ruimte. Ongrijpbaar zijn terwijl de gele wagons me meevoeren langs weilanden en over bruggen waaronder snelstromende rivieren.
Ik ben op weg naar het stadhuis van Terneuzen dat eind jaren zestig werd ontworpen door de Nederlandse wederopbouwarchitect Jaap Bakema (1914 -1981). Bakema werd gedreven door humanistische en democratische idealen. Hij zag de wederopbouw als een uitgelezen kans om de Nederlandse samenleving opnieuw vorm te geven als een open samenleving waar ‘iedere burger op grond van haar individuele overtuigingen haar eigen leven kon scheppen’. Hij geloofde heilig in vrijheid en democratie. Hij zag het als zijn plicht om na de verschrikkingen van oorlog en fascisme een omgeving te bouwen waar het democratisch bewustzijn weer kon opbloeien.
Ik wil het stadhuis van Terneuzen zien omdat ik beter wil begrijpen hoe je zoiets doet: een omgeving bouwen die het democratisch bewustzijn van burgers stimuleert. Helemaal nu democratie volgens velen een hol begrip is geworden.
Ik reis over Rozendaal en de coupé van de trein naar Vlissingen waar ik in zit is stil. Ik verleg mijn aandacht naar de even stille buitenruimte. De luchten lijken ijler en langer hier, de afstand die een meeuw moet overbruggen van toren naar toren groter.
De tocht voert langs Krabbedijke, Kruiningen-Yrseke en Kapelle-Biezelinge. Het land wordt vlak, de wieken van windmolens die parallel aan een kanaal zijn opgesteld pieken bewegingsloos in de lucht. In de verte rookt een dikbuikige fabriekstoren. Dan bereiken we Goes.
Vanaf hier vervolgt mijn reis zich per bus. We draaien de snelweg op, verlaten Goes met haar spitse kerktorens. We stoppen voor een rij hokken die aan een grensovergang doen denken. De buschauffeur betaalt tol voor de tunnel die ons onder de Westerschelde door naar Terneuzen zal brengen. We zijn er dus bijna – ineens word ik zenuwachtig: wat als ik het stadhuis lelijk vind?
Eenmaal bovengronds rijden we langs pompgemalen en tientallen kranen die hun nekken uitsteken boven een levenloos terrein. ‘Havens 750-2000’ en ‘Sluiskil, Sas van Gent, Breskens’ melden de verkeersborden. Plots toont zich de Schelde – got wat is ze mooi. Met haar zachtgroene wateren tot aan de horizon. Achter de dijk pronken de torens en traphuisgevels van het oude stadje. Dan stopt de bus en sta ik recht voor het stadhuis van Terneuzen.

Het burgerhuis staat als een speelse mecanodoos te grijnzen naast een weids plein. Het is niet in het centrum van de stad geplaatst maar juist aan de rand, net buiten de poort van de oude stad waar moderne woonblokken verrijzen. Zo verbindt het oud en nieuw. Vanaf het voorbalkon kun je uitkijken op het middeleeuwse Terneuzen, aan de achterkant op de nieuwbouwwijken en de Schelde die uitstroomt naar waar ter wereld je maar wil gaan.
Vroeger stond verderop de dijk nog een prachtige oude watertoren. Samen met een stel imposante bomen vormde die dat baken van herkenning en oriëntatie dat Bakema zo belangrijk vond. Ze maakten deel uit van zijn totaalontwerp, zorgden voor verbinding tussen het stadhuis en de wijdere omgeving.
De relatie tussen gebouw en omgeving was voor Bakema bijna nog belangrijker dan het gebouw zelf. Steeds weer sprak hij van ‘de totale ruimte waar alles is en wordt’. De gebouwde omgeving moest mensen een gevoel van thuis en bescherming geven, maar ook prikkelen om over de eigen grenzen heen te kijken.
Daarom moest een gebouw visueel communiceren met haar omgeving: met de lucht, de bomen, het water en met andere gebouwen in de buurt. Zo kon een ruimte ontstaan waarin mensen afwisseling en samenhang ervaarden: waarin ze gestimuleerd werden zich als vrije individuen te ontwikkelen én zich in te zetten voor een samenleving waar ieder datzelfde recht genoot. ‘Everyone is born free and equal, equal at least in his right to be different,’ vertelde Bakema zijn internationale studenten telkens weer.
Ik word rondgeleid door Koos, die al twintig jaar bode is op het stadhuis. Mijn komst was onaangekondigd maar Koos neemt me even spontaan mee het gebouw in dat normaal alleen voor werknemers toegankelijk is.
Het witte halflange haar van Koos danst als een kwispelende hond achter hem aan. Meerdere keren knallen we tegen elkaar op want ik loop met open mond, de blik op alles gericht behalve daar waar ik mijn voeten zet. Maar het deert Koos niet en mij evenmin. Ik stimuleer zijn enthousiaste betoog met kreten van bewondering. En laat ik eerlijk zijn: mijn extase wordt ook wel ingegeven door opluchting. Want ik vind het mooi, dat stadhuis van Bakema, godzijdank.
Het gebouw is veel intiemer dan ik had verwacht. Op de uitnodigende wreef van de brede houten trapleuning kan je je hand leggen, op het reliëf van de muren ook. Het beton leeft en heeft leeftijd: de tekeningen staan als rimpels op het steen geëtst, lijken op de nerven van hout.
Brutalisme heet deze stijl, niet naar het Nederlandse ‘brutaliteit’ maar naar het Franse beton brût. De Frans-Zwitserse architect Le Corbusier maakte er naam mee, met die massieve bouwwerken van ruw beton. Esthetiek deed er niet toe bij deze ontwerpen. Het ging om het tonen van eerbied voor het materiaal én voor de arbeider die dat materiaal vervaardigde. ‘Het is ethiek, niet esthetiek,’ verklaarde de Engelse architect en vriend van Bakema, Peter Smithson, ‘het tonen van de houterigheid van hout, de zanderigheid van zand’. Zo bouwden de brutalisten, incluis Bakema, een statement ter verheffing van de arbeidersklasse: een pleidooi voor gelijkwaardigheid.
De entree van het gebouw is letterlijk laagdrempelig, vertelt Koos als we de rondleiding buiten voortzetten. Niks geen imposante trap met bordes naar de entree, niks geen zwaarwichtige deuren zoals je bij oude stadhuizen wel ziet. Bakema tekende twee heel gewone houten deuren, op menselijke maat en op gelijk niveau met de straat. ‘Het moest niet imponeren, maar toegankelijk zijn voor iedereen,’ licht Koos toe. Het stadhuis was van en voor de burgers. De Burgerzaal kreeg dan ook de mooiste plek in het gebouw: helemaal bovenop met een grandioos uitzicht over de Schelde.
Ook keuzevrijheid was in het gebouw verankerd. Koos wijst op de horizontale betonnen bielzen aan de zijkant van het gebouw. Bakema zag de architect niet als een opperhoofd die het definitieve, laatste woord had over het ontwerp. Als gebruikers in de toekomst behoefte had aan uitbreiding, dan kon er op deze bielzen worden bijgebouwd – in welke richting dan ook.
‘Dit is zijn mooiste foefje,’ zegt Koos als we stilhouden bij twee kortbenige pijlers. Op die twee smalle poten lijkt de complete vleugel van het gebouw te rusten. Het doet denken aan een ruimteschip dat op het punt staat op te stijgen. ‘Onmogelijk!’ denk je als toeschouwer. ‘Suggestie,’ verklaart Koos, ‘hij wilde de indruk wekken dat die kolos zweeft, licht is, de ruimte in kan.’ Het ‘foefje’ kon gerealiseerd worden door gewapend beton: door stalen staven waar het beton zó omheen werd gegoten dat het de zogenaamde trekkracht opving, voorkwam dat door het gewicht ging scheuren.
Ik lach onthutst om mijn groeiend ontzag voor materiaal dat ik aanvankelijk afschuwelijk vond. Die schijnbaar zwevende constructie werd nota bene mogelijk gemaakt door loodzwaar beton.
In denk aan Wubbo Ockels op de bodem van het zwembad. Net als Ockels wilde Bakema mensen bewust maken van het wonder van het bestaan: van ‘de totale ruimte waar alles is en wordt’. Net als Ockels vond hij die sensatie van de ruimte in de suggestie van gewichtloosheid.
We zijn het contact met de totale ruimte kwijtgeraakt, denk ik als ik even later op de bus terug sta te wachten. We hebben ons te veel naar binnen gericht, de ruimte enkel in onszelf gezocht. Daarom is democratie een hol begrip geworden.
Vanaf de bushalte kijk ik zijdelings tegen het stadhuis aan. Het aantal mogelijkheden om mijn blik over de lijnen en hoeken van het gebouw te laten glijden is ontelbaar: ik kan in tal van variaties omhoogklimmen, naar boven zigzaggen, naar beneden roetsjen. ‘Het leven is niet verticaal of horizontaal’, schreef Bakema in 1941, ‘maar al-dimensionaal’.