Categorieën
Non-fictie

Schreeuwen

Ik trek mijn schoenen aan en stap naar buiten. Langs de kades en stoepen van een stad in ontwaking. In het park valt mijn oog zoals altijd op De Schreeuw, het monument ter nagedachtenis aan Theo van Gogh. Hij werd zestien jaar geleden neergestoken door een moslim. Het woord ‘geitenneuker’ bleek de druppel voor een verwarde man. Bij leven vonden velen van Gogh een vervelende botterik, bij dood werd hij zoals zovelen voor hem tot in de ridderstand verheven. De bijbehorende titel Ridder van het Vrije Woord nam hij mee in zijn graf. “Genade, genade, we kunnen er toch over praten,” riep hij nog voor zijn vonnis werd voltrokken door rechter-en-beul. Over van Gogh hoor je de laatste jaren nauwelijks nog wat, over de islam des te meer. Heeft die verwarde man dan gewonnen? De totale onverschilligheid van de wereld om De Schreeuw heen doet haast vermoeden van wel. Het is fascinerend en huiveringwekkend tegelijk om te zien hoe de wereld terug plooit na een verschrikkelijke gebeurtenis. Een kleine rimpel in een grote vijver, dat is alles. Voorbijgangers passeren het beeld in het park dagelijks. Allemaal met eigen kopzorgen en levens om te leiden. Wie kijkt er nog op of om naar het beeld? De tijd heelt alle wonden maar veroordeelt alles en iedereen ook tot verdoemenis.

Ik word opgeschrikt door een man in een oranje hesje die uit een minibusje stapt om het beeld op te poetsen. ‘IS’ werd in tegenstelling tot ‘Al Qaida’ gelukkig nog niet op het beeld gekalkt, maar wind, modder en uitlaatgassen zijn brutaler dan welke vandaal dan ook. Is het een medewerker van de plantsoenendienst of iemand met een taakstraf? Heeft deze man eigenlijk wel een idee wat voor beeld hij poetst? Of is De Schreeuw slechts beeld nummer zes op een lijst van elf vandaag? Bespeur ik daar toch buitengewone aandacht voor dit alledaagse klusje? Een liefkozing zelfs, eenmaal aangekomen bij de neus van het grijze gezicht? Het beeld blinkt in ieder geval als nooit tevoren en het oranje hesje verdwijnt weer in zijn minibusje voordat zulke vragen beantwoord zouden kunnen worden.

Een aantal weken geleden lag het gras voor het beeld ineens bezaaid met bloemen. Een Franse leraar was onthoofd om een spotprent over de profeet Mohammed in zijn lokaal. Die hing er al jaren maar werd iemand toch een doorn in het oog met het verstrijken van de tijd. Ik vraag me af of er ook bloemen bij het beeld zouden hebben gelegen als de leraar doodgestóken was. Aan steekpartijen zijn we inmiddels wel gewend, maar een onthoofding bleek toch mediagenieker, de laatste was immers alweer een poos geleden. Is iemands kop eraf hakken niet een humaner manier van iemand afmaken dan in de buik steken? Als je in je buik wordt gestoken dan leg je meestal pas in het ziekenhuis het loodje. Met een beetje een scherpe bijl blijft je bij een onthoofding in ieder geval een lange lijdensweg bespaart. We hebben het er wel een tijd over gehad met elkaar, in de kranten en in de talkshows. Wederom was dit een aanval op ‘onze’ manier van leven geweest, vandaar die bloemen bij het beeld. Maar ook deze bloemen waren hetzelfde lot beschoren als alle andere bloemen. Ze verschrompelden, net als zoals de Franse leraar straks onder de grond. Vorige maand werden de bloemen opgeruimd door een man in een oranje hesje. Het gaat al een tijd niet meer over de onthoofde leraar. De wereld plooide weer terug.

Ik laat het beeld rechts liggen en vervolg mijn weg naar de Linnaeusstraat. Hier werd van Gogh vermoord. Als iemand mij nu om zeep zou helpen dan zou er op Teletekst staan: ‘Man (28) doodgestoken in Amsterdam-Oost.’ Voor de bühne zou ik hiermee gebombardeerd worden tot ‘Man (28)’. Mijn familie en naasten zouden zich zeker tien jaar beroerd voelen, nog eens tien jaar heel slecht en in de tien jaar daarop hopelijk steeds een stukje beter. Dan zou er namelijk al meer tijd verstreken zijn dan de totale levensduur van ‘Man (28)’. ’Man (28)’ zou trouwens een pagina delen met ‘Plofkraak Assendelft, geen gewonden,’ aangezien de fatale steekpartij nou ook weer niet een hele pagina verdient. Naar schattig zou één op drie over het bericht heen lezen, nummer twee denken ‘jeetje, wat erg’ en een derde: ‘vast een buitenlander die het gedaan heeft.’ Met een beetje pech zou het nieuws wél opgepikt worden door de talkshows, maar dat zou dan weer afhangen van of de steker ‘ALLAH ACKBAR’ had geschreeuwd. Mag mijn moeder met tranen biggelend over haar bolle wangen bij Jinek uitleggen dat ik zo’n lieve jongen was.

Op de hoek van de straat heft een oude zwarte man een lied aan. Zijn het de klanken van ‘Don’t Worry, Be Happy’? Ondanks al het geweld is deze wereld het toch nog waard om bezongen te worden. De man zal niet eens een kleine rimpeling teweegbrengen in de vijver wanneer hij sterft, laat staan een huilende moeder achterlaten. Maar ik moet verder. De straten liggen voor het oprapen. Notoire wandelaars herkennen de honger waarmee het asfalt, de stenen en het beton moeten worden verslonden. Straat na straat, lantaarn na lantaarn, ruit voor ruit.

Het wordt alweer donker. De ramen van huizen lichten op en in kamers zonder lampen aan flikkeren de lichtjes uit de tv extra helder. Vroeger probeerde ik altijd vanaf een afstand erachter te komen waar mensen naar keken. Als je ver genoeg staat dan is er werkelijk geen touw aan vast te knopen. Voor je ook maar iets kan ontwaren verspringt het beeld alweer. Zo verandert een zorgvuldig gemaakt programma in een schimmenspel zonder verhaal. Een tijd geleden zag ik in een woonkamer van een oud stel ineens het hoofd van van Gogh op de tv. Was het precies vijftien jaar geleden dat hij was doodgestoken. Ernstig kijkende mannen in fletse overhemden aan een tafel herinnerden de mensen in de woonkamer er nog maar eens aan hoe erg het allemaal was geweest. Tenminste, dat leek ik van hun gezichten te lezen voor er werd weggezapt. Nu danste en zong iemand in een koeienpak op het scherm. Ik liet het oude stel heftig discussiërend achter waar ze eerst nog half ingedut op de bank hadden gezeten. Wie zou deze Masked Singer toch geweest zijn?

Ik maak mijn ronde af en ben weer terug bij het beeld in het park. Ineens bedenk ik me dat mijn moeder indertijd best opgetogen was geweest toen van Gogh was vermoord. Zij had het ook een nare man gevonden. Natuurlijk, natuurlijk, overhoopgestoken worden om je mening zou niet moeten kunnen in een land als Nederland. ‘Maar had hij het er niet zelf naar gemaakt met al zijn praatjes?’ leek mijn moeder zich af te vragen. Ik heb haar standpunt als brugpieper nog verdedigd tegenover een klasgenootje. Die kon het zichtbaar niet geloven dat ik zoiets over mijn lippen kon verkrijgen. Ik denk trouwens niet dat het de bedoeling was dat dit standpunt de muren van mijn ouderlijk huis verliet. Misschien wilde mijn moeder shockeren of zorgde van Gogh’s plotseling verworven iconische status voor wrevel. Wisten wij veel dat er 16 jaar later niemand meer naar dat beeld om zou kijken.

Ik salueer plichtsgetrouw naar het beeld en vraag me af hoe lang het dit keer zal duren voor het gras weer bezaaid is met bloemen. Het is tijd om naar huis te gaan.