Categorieën
Non-fictie

Polder

De onweersbuien hadden de hitte ingeruild voor een ander weertype. De lucht hing als een dikke grijze laag boven de koolzaadvelden, de wind daverde door de lege polder en trok aan het touw van mijn vlieger. Achter de nieuwbouwwijk lag niemandsland; een strook bos langs de snelweg, een stinksloot en een stuk gras. Zinloos land in een polder waar alles functioneel moest zijn, maar de vele kinderen in de nieuwbouwwijk konden zich geen betere speeltuin wensen.

|De nieuwbouwwijk was klaar; een paar rijen huizen rondom een vierkant plein. Wij woonden in het achterste rijtje, op nummer 32: een twee-onder-een-kapwoning van zachtgele baksteen met een flinke achtertuin. Toen er weer een nieuwe nieuwbouwwijk aan de nieuwbouwwijk moest worden geplakt, werd De Zeehond gevonden.
De Zeehond was geen echte zeehond, maar een scheepswrak, dat ooit door de Zuiderzee werd gevangen en naar de bodem werd gesleurd. Toen de Zuiderzee werd verslagen en ingepolderd kwamen de oude wrakken een voor een tevoorschijn.
Op zaterdagmiddag gingen we kijken. Mijn zusje en ik moesten onze kaplaarzen aantrekken, vanwege de modder bij de opgraving. Echt veel was er niet te zien; het schip was afgedekt met landbouwplastic. Er waren geen archeologen aan het werk, terwijl ik dat zo graag had willen zien. Ik bedacht me dat ik ook wel zo’n held met een troffel, een schepje en een vest met veel zakjes wilde worden. Nu stonden we met alle mensen uit de nieuwbouwwijk rondom een stuk landbouwplastic. Mijn sokken zakten af, totdat ze als propjes voorin mijn kaplaarzen zaten.

De stokoude buurjongens waren vrijdag al wezen kijken en vertelden enthousiast over de potscherven, de stukjes textiel en alle andere schatten die nu onder het zeil zaten. De oudste buurjongen had eindexamen gedaan en zou in Groningen gaan studeren. Na een paar weken was hij weer terug. “Te ver weg” was zijn reactie.

Het scheepswrak was iets ouds in het nieuwe land. De polder had nog geen karakter, geen verhaal, geen identiteit. Wij kwamen uit Friesland, uit Overijssel, uit Noord-Holland, uit overal. Bijna niemand van mijn klasgenootjes was in dit dorp geboren. Sommigen hadden heimwee. Naar Lochem, naar Bergen op Zoom, naar hun identiteit. Maar de polder had geschiedenis, zo bleek uit het graafwerk in de nieuwe nieuwbouwwijk. Het scheepswrak was een puzzelstukje in het verhaal dat het land ons probeerde te vertellen.

Groter worden in de polder betekende fietsen. Lange stukken fietsen door de groene vlakten waar je altijd wind tegen had. De koolzaad verdween toen de bodem ontzilt was, maar de gele bloemetjes doken nog overal op. Naast de nieuwbouwwijk was een nieuwere nieuwbouwwijk gebouwd, later dan gepland, maar nu werd er ook aan de andere kant van het dorp gebouwd. De mensen die daar kwamen wonen hadden niet overwegend Noord-Nederlandse of Oost-Nederlandse accenten, maar kwamen uit het westen. Ze groetten niet op straat.

Ondertussen fietste ik tegen de wind in naar de middelbare school, een heel dorp verderop, 9 kilometer door de leegte. Als ik buiten de polder uitlegde waar ik vandaan kwam, dan was de reactie: “het is daar heel plat, toch?” Ik zag vergezichten, de zonsopgang, de buitelende kieviten in de wei en de reigers langs de slootkant. De buitenwereld zag plat en leeg. Ik zag de scheepswrakken, inmiddels in het museum, ik zag het standbeeld van Cornelis Lely, ik zag de potscherven van de mensen die nog voor de Zuiderzee woonden waar ik opgroeide. De buitenwereld zag jong land zonder kraak, smaak of identiteit. Een land als een onbeschreven blad.

De kinderen die in de polder opgroeiden, en later zelf kinderen kregen, waren degenen die het blad moesten volschrijven. Ik verzaakte. Voor mij geen polder meer, maar een stad waar trapgevels en klokgevels elkaar afwisselen langs de grachten, waar ik geen uren meer hoefde te fietsen voor sport, bioscoop of een nieuw kledingstuk. Een stad waar de boekhandel meer was dan een paar rekken tijdschriften en bestsellers. Mijn vrienden plagen mij minzaam met de plaatsnaam die onder ‘geboorteplaats’ in mijn paspoort staat. Zij zijn Twent, Fries, Leids, Achterhoeker, of iets anders met een naam. En ik, ik ben Flevolander. Ik heb geen identiteit, dus ik kan zijn wie ik ben.