Categorieën
Non-fictie

oktober 1918

Oktober 1918

Voor de zoveelste keer heb ik die oude vaas in mijn handen. Het is weer tijd om bovenop de kast in de woonkamer te stoffen. Voorzichtig veeg ik met een vochtige doek over het witte glas. Groene randen versieren de bovenkant en de onderkant. Aan één kant is een decoratie van een rode en een blauwe bloem, met groene blaadjes, gesteund door dunne lijnen van goud. Als kind vond ik die vaas al mooi. “Van Oma Hendrikje geweest,” zei mijn moeder dan. Nu mijn moeder er ook niet meer is, is de vaas bij mij terechtgekomen.

Wat heeft deze vaas allemaal beleefd, gezien, en gehoord in meer dan een eeuw tijd?
De vreugde van de bruiloft van mijn oma en opa, het geluk van dat jonge stel, van Hendrik en Hendrikje die samen een nestje gingen bouwen. Mijn oma had haar moeder nooit gekend, die was bij de bevalling overleden. Als klein meisje leerde ze snel ‘wat vreemd is wordt nooit eigen’. Met haar eigen man – die ook een en ander had meegemaakt – kreeg ze een echt thuis. Het arbeiderswoninkje van Hendrik en Hendrikje, hun eigen paleisje met hun eigen eenvoudige meubeltjes, een bedstee – en een paar mooie spulletjes. Een porseleinen theeservies met een gouden randje, een set van zes oranje eierdopjes met een glans van parelmoer, een groot portret van het bruidspaar op hun trouwdag. En deze witte glazen vaas met groene randen en bloemen.
Voorzichtig zet ik de vaas terug op de kast. Daar staat hij mooi, en veilig.

Deze vaas zal toen ook op een veilige plaats hebben gestaan. Het jonge stel kreeg al gauw drie kinderen, twee jongens en een meisje. Voor moeder Hendrikje betekende dat hard werken, met een huishouden van vijf personen. Zij had geen wasmachine, geen stofzuiger, geen koelkast of elektrische oven, laat staan een magnetron.
Vader Hendrik deed zwaar werk in de fabriek. Er was geen rijkdom, maar wel genoeg te eten, het vuur kon gestookt. Een enkele keer was er iets bijzonders, een stukje vlees, nieuwe kleding, of iets moois voor in huis. Zoals deze witte glazen vaas met groene randen en bloemen.

Die vaas heeft de mooie jaren gezien, waarin de kinderen van het jonge stel goed en gezond opgroeiden. Het was een tijd waarin het geluk gewoon was, want het geluk zat in de gewone dingen, een stevige maaltijd, nieuwe kleren met Pasen, een sinaasappel met Sinterklaas, op zondag naar de kerk en bij familie op bezoek. Toen de drie kinderen al een paar jaar uit de luiers waren, bleek er nog een kindje op komst. De oudste zoon was toen tien jaar. Nog even en dan kon hij van school en ‘naar ’t fabriek’. Die paar centen die hij dan zou verdienen waren zeker welkom als er nog een mondje te voeden was.
Het jonge gezin had niet te klagen over gezondheid. Af en toe een snotneus, mazelen, de bof, een keer rodehond. Gelukkig was vader Hendrik nooit ziek – want een dag niet werken was een dag geen inkomen.

En toen was de zomer van 1918 voorbij. Er waren geruchten over een nieuwe ziekte. Maar niemand wist precies wat het was, iets van een soort griep. Sommigen beweerden dat die uit Spanje kwam. En het scheen dat er mensen doodgingen door die ‘Spaansche griep’. Zo werd verteld. In de krant stond er niets over, voor zover mensen al een krant hadden of konden lezen. Radio was er niet, en televisie was nog ondenkbaar.
Het waren geruchten, ja, het zal wel. Verhalen over gezonde mannen, die ’s morgens naar het werk gingen en ’s avonds letterlijk doodziek thuiskwamen, en soms stierven.
Hendrik en Hendrikje hadden daar weinig aandacht voor. Op een regenachtige vrijdag in oktober werd hun kleine meisje geboren. Groot was de vreugde over een gezonde baby, en wat waren de ‘grote’ kinderen blij met hun kleine zusje.
De lieve buurvrouw kwam helpen. Als een volleerde kraamverpleegster verzorgde ze de jonge moeder en de zuigeling, ze deed de enorme vuile was, en maakte het eten klaar voor de vader en de andere kinderen. Ondertussen zorgde ze ook voor haar eigen gezin, dat ging gewoon door.

Er kwamen steeds meer berichten over die ziekte. Er waren geen dagelijkse statistieken – dat woord kenden de mensen in de arbeidersgezinnen niet eens. Maar dat het steeds dichterbij kwam, dat gonsde overal.
En toen waren de geruchten geen geruchten meer, het werd werkelijkheid. Een ziekte die steeds vaker toesloeg, die bekenden trof – zieken die na hooguit een paar dagen koorts en hoesten stierven in een onmenselijke benauwdheid. De dokters – als ze al kwamen – stonden machteloos. Hadden ze maar een medicijn, of een inenting zoals die er was tegen koepokken.
In de fabrieken waren steeds meer lege plaatsen van mannen, jongens en jonge vrouwen die te ziek waren om te komen werken. Die moesten wel erg ziek zijn. Want als je half kon, dan ging je heel. Niemand die erover peinsde thuis te blijven zolang je op je benen kon staan. Hoestend en snotterend nam je je plaats in achter het weefgetouw of in de spinnerij. In benauwde hallen werkten de mensen dicht bij elkaar. Frisse lucht kwam alleen binnen door tochtige kieren bij het raam.

Die glazen vaas zal erbij geweest zijn, veilig hoog op de kast, op die avond dat Hendrik hoestend en rillerig uit de fabriek thuiskwam, en nog voor het eten naar bed ging. Zijn jongste zoontje van acht lag al in de andere bedstee. Wat hoestte dat ventje naar.
Het was nog maar een paar dagen na de bevalling. Moeder Hendrikje deed haar best om de zieken te verzorgen en de kinderen eten te geven, maar ze was zelf nog zo verzwakt. Gelukkig kwam Buurvrouw weer, zoals elke dag. Buurvrouw hoorde de twee zieken hoesten. Met een sjaal voor haar mond deed ze wat gedaan moest worden. Diezelfde dag had ze vreselijke ruzie met haar man: wat had ze te zoeken in dat huis waar die ziekte heerste? Ook andere buren bemoeiden zich er mee, spraken er schande van, ze zou haar eigen huis verwaarlozen.
Maar Buurvrouw hield vol. “Ik kan Hendrikje toch niet in de steek laten? Die kleine jongen heeft zo hoge koorts. En Hendrik ligt vreselijk te hoesten, ’t gaat door merg en been.”

Zo deed ze ook op die druilerige donderdagochtend in oktober weer zorgvuldig haar sjaal voor haar mond. En ze ging. Hoe zou het zijn? Ze vond de kleine jongen dood in bed, om negen uur in de morgen. Moeder Hendrikje zat naast hem, ze had geen woorden. In de bedstee hoestte haar man Hendrik, hij ijlde door de hoge koorts. Niemand verstond wat hij zei, maar hij bleef hardop praten. Totdat de hoestbuien nog erger werden, en in de middag zijn krachten afnamen. Om vijf uur werd het stil in het huis. Doodstil.

Dezelfde vriend die de ochtend de droeve gang naar het gemeentehuis had gemaakt, ging nu weer aangifte doen van een overlijden. Op de dag van de begrafenis was Hendrikje nog niet in staat mee te gaan naar de begraafplaats, het was amper een week na de bevalling. Vanuit de voordeur van haar huisje moest ze stilletjes de rouwstoet nakijken, met de kist van haar man en de veel kleinere kist van haar zoontje.

En nu, een eeuw later, is er weer een epidemie, die zijn eigen gang gaat en mensen treft – ondanks de betere voeding, huisvesting, ventilatie en frisse lucht, en vooral betere arbeidsomstandigheden. Nu zijn scholen, winkels en bedrijven wel gesloten. We houden afstand. Er is zelfs een avondklok. Die was voor de generatie van mijn grootouders niet nodig. Wie had er na een dag zwoegen in de fabriek, of in het huishouden, nog de moed om ‘s avonds in het donker op pad te gaan?
Mijn boodschappen doe ik verplicht met een mondkapje op, niet een gewone sjaal die van alles doorlaat. Als iemand toch ziek wordt, is er medische hulp, intensieve zorg en zuurstof. Vaccinatie wordt binnenkort mogelijk. Al helpt zelfs dat niet altijd.

In oktober 1918 bleven Hendrikje en de andere kinderen gespaard voor de ziekte. Ook Buurvrouw heeft de ziekte niet opgelopen. Maar het leven van hen allen werd nooit meer zoals het geweest was, de glans was er af.

Er is zoveel stuk gegaan in Hendrikjes leven dat nooit geheeld is. Deze wit met groene vaas heeft het er heel afgebracht. Net als Oma Hendrikjes porseleinen servies. Op bijzondere dagen drink ik mijn thee uit haar glanzende theekopjes met hun gouden randje.