Categorieën
Non-fictie

Motivatie

Brooddieet, komkommer dieet, bananen dieet, low-carb dieet, eet-de-helft-dieet. Of het eet-helemaal-niet-meer-dieet. Als een verwilderde foodie heb ik mij de afgelopen jaren door het slagveld van diëten heen geslagen. Kaken die eens op vol vermogen functioneerden sloegen bij elk dieet uit protest in de kramp, de maag produceerde oergeluiden en traanbuizen waren voornamelijk verstopt door het zelfmedelijden, dat je nu eenmaal hebt als je geen dieet-type bent. Op maandagochtend start je vol goede moed met een mager ontbijtje, om half drie is het tijd voor thee en sneuvelt er gelijk een pak stroopwafels. Bij thee hoort koek.
En ben je na veel zwoegen toch een kilo kwijt, dan beloon je jezelf in het weekend met wat wijntjes en een kaasplank, met een reep chocola en een zak chips als reserves. Als er dan twee keer zoveel gewicht is bijgekomen, dat verdomde weekend, dan beloof je jezelf plechtig dat je de héle aankomende week goed je best gaan doen. Behalve vrijdag, dan is het buisavond en tv kijken zonder chips gaat niet.

Je wilt zo graag dat figuurtje uit de bladen, waar nauwelijks vet op de botjes zit. Kleding die weer past, laarzen die met gemak over je kuiten glijden en een selfie zonder onderkin. Het wordt ons niet makkelijk gemaakt, door alle verleidingen in de media en om ons heen hangen we al gauw weer kwijlend met ons hoofd in de koelkast of voorraadkast, even al onze goede voornemens ‘vergeten’.
En het geluksgevoel dat gesuikerd snoep, chips, zelfgebakken brownies en blokken fudge je geven, brengt je even naar een utopisch plekje, ergens hoog in de gesuikerde sferen waar je je veilig en verbonden voelt. Waar even geen oorlogen zijn, geen corona heerst en iedereen gewoon lekker tevreden is.

Als ik weer eens ergens op mijn gesuikerde wolkje de ene blok fudge na de ander laat smelten op mijn tong, vraag ik mij altijd af hoe sommige mensen dat doen: één snoepje, één handje chips, één stukje chocola, één klein glaasje wijn. Dat is toch niet te doen? Vanaf een ander wolkje, zo’n verstandig wolkje waar iemand relaxed op een snack-komkommertje zit te knagen, hoor ik dan: “Dat heet discipline”. Als ik die wolk met die komkommer hoor spreken, duw ik altijd snel de volgende lekkernij in mijn mond. Discipline en ik gaan niet zo goed samen, zeker niet als het gaat om eten en sporten. De sportschool is voor mij een soort van tuchtcollege waar de heren hun spieren tonen, om na twee oefeningen al een rondje te gaan wandelen en de dames in strakke pakjes rondhuppen, de lipjes nog dik gestift. Ruimtes waarbij groepen zwetend op een mat liggen, kreunend hun ik-zie-ze-niet-rollen willen wegtrainen.
Je kan mij niet wijsmaken dat het leuk is om in herhaalde setjes van twintig allerlei crunches te doen, waarbij je ribben haast om je knieschijven gevouwen liggen en je nek nog net niet op slot schiet. Ik probeer het elke maandagochtend weer, hoor. Met een sierlijke zwaaibeweging rol ik mijn yogamat uit, klik een video aan met buik-billen-benen-workout en ga vol vertrouwen liggen. Na een keer of zes fietsbewegingen in de lucht te hebben gemaakt, hier en daar wat rek- en strekoefeningen en kniebuigingen ben ik er al snel klaar mee en roep ik elke keer weer: “Dit doe je toch niet voor de lol!” Weg motivatie.

De mens bestaat vol tegenstrijdigheden, we willen het één en doen het ander. En als we dan weer wat motivatie vast kunnen houden, gaan we weer hard aan het werk voor dat figuurtje uit de bladen. Je lichaam pijnigen en de oergeluiden vanuit je maag negeren.
Terwijl je broek al standaard op de eetstand staat, je beha-afdruk in je bovenste vetrol prijkt en je panty niet verder komt dan je knieholtes, is het voor veel vrouwen weer een stimulans het slagveld te betreden. Zo ook voor mij, pas geleden. Ik zag het licht. Eerlijk gezegd zag ik complete duisternis, bij twintig kilo overgewicht, toch is het mij gelukt puin te ruimen en na tien kilo gewichtsverlies was ik apetrots!

Na die mijlpaal van tien, lees ik in de avond een e-mail van één of andere afvalgoeroe. Ik lees zijn mail niet vaak, want zijn irritante aanhef ‘hey hey’ wakkert mijn suikerverslaving aan.
Wel heel apart, ik lees dat de e-mail afkomstig is van het bungelende gedeelte van mijn bovenarmen. Die slappe dingen, die steeds meer gingen bungelen. En hangen. En nu we toch zover waren, moest ik, van mijn kipfilet-armen dan, ook maar afscheid nemen van mijn ‘Schuddebuik’ en mijn ‘Kalkoennek’. Met open mond en ogen die ergens achterin mijn (kalkoen-) nek hangen van verbazing, lees ik de hondsbrutale mail nog eens door. Ik zie een beeld voor mij van een mannetje achter zijn toetsenbord. Zweetdruppels in de lucht, heftig aan het rammen op zijn toetsen en zwaar gefrustreerd dat zijn eiwitshakes niet zo best verkopen op het moment. Dan maar een denigrerende opstelling, moet hij gedacht hebben. Verbazing maakt plaats voor irritatie, heb ik mij net het apezuur gewerkt om twintig pakjes boter weg te lijnen, word je aangesproken door je hangende onderarmen, waar ik volgens de mailer ook erg ongemakkelijk van wordt, zeker als ik korte mouwen draag. Ik hield ook niet van ze.

Een paar maanden geleden had ik na het lezen van zo’n mailtje van frustratie mijn tanden in blokken fudge en repen chocola gezet, toch was ik sterk en nadat ik was bekoeld voelde ik empathie voor de berichtgever en dankbaarheid voor mijn inzichten. Hij snapt het niet, handelend vanuit zijn competitiegeest. En ik wel, vanuit de creatieve geest. In gedachten stuur ik hem de hartelijke groeten van ‘Schuddebuik’!