Categorieƫn
Non-fictie

mijn naam

een oceaan stroomt doorheen mijn ziel
woeste onderstromen houden zich schuil
in de diepste en donkerste delen
welke schitteren in het maanlicht
een orkaan bestaand uit de felste kleuren die je ooit zult zien
draagt mijn naam
mijn lippen teder als bloemen spreken woorden uit
die weerklinken als donder tussen de bergen
tot op vandaag, wanneer de storm die ik was
voor altijd gekalmeerd zal zijn

Zonder er bij na te denken ga ik over tot looppas. Mijn ogen dwalen langs de lucht welke intussen een donkergrijze kleur heeft gekregen waaruit ik afleid dat het inmiddels al laat op de avond moet zijn. Terwijl mijn zicht vager wordt door de tranen die zich opwellen in mijn ogen, hoor ik enkel nog het doffe geluid van mijn zolen die steeds op het zelfde tempo het asfalt onder mij raken. Ik sluit mijn ogen en concentreer me enkel nog op het ritme van mijn voeten dat lijkt samen te gaan met het ritme waarop mijn hart klopt. In deze waas volg ik mijn ledematen die de weg, zonder enige aansturing van mijn hersenen, blijken te kennen. Mijn gedachten dwalen af. Weer volgt de ene flashback de andere op, deze keer enkel sneller achter elkaar, alsof mijn hoofd niet langer de kracht heeft om de fragmenten geordend te houden en ze nu door elkaar vloeien. Wanneer ik wakker schiet uit mijn droomtoestand en mijn bewustzijn weer terug in de realiteit is, door een of ander geluid van wat waarschijnlijk een dier was, weet ik niet meer waar ik ben. Ik laat mijn benen zichzelf afremmen tot ik uiteindelijk stil sta. Nu pas merk ik hoe hard de longen in mijn borstkast lijken te branden, ik leun mezelf voorover en probeer terug op adem te komen. Elk beetje zuurstof dat ik door mijn keel naar binnen zuig voelt als een tiental kleine mesjes die zich door mijn luchtwegen proberen te wurmen. Ondanks het gevoel dat ik elk moment door mijn knieƫn zal zakken, vindt mijn lichaam toch een manier om recht te blijven staan. Terwijl mijn benen trillen onder mijn romp wandel ik langzaam verder. Mijn ogen zijn opzoek naar een herkenningspunt, maar het enige wat ze tegenkomen zijn wat eenzame huizen met onverzorgde voortuinen. Onder mijn voeten bevindt zich intussen iets wat meer lijkt op een zandweg, op andere momenten had ik het geluid van het zachte gekraak onder mijn schoenen kalmerend gevonden, maar deze keer doet het me niks. Ik ken deze plaats niet. Wanneer ik opkijk ontdek ik dat de hemel intussen een bijna pikzwarte kleur heeft aangenomen. Enkele wolken verbergen de sterren. Ik moet minstens een uur hebben gelopen. Terwijl ik verder wandel vraag ik mezelf af waarom mijn benen me naar deze plaats hebben gebracht. Eens ik op adem ben gekomen begin ik het koud te krijgen, ik sla mijn armen om mezelf heen. Ook wanneer dit niet doeltreffend blijkt te zijn blijf ik toch in deze houding verder wandelen, alsof ik mezelf troost probeer te bieden voor alles wat er door mijn hoofd gaat. Langzaamaan begint het gevoel van leegte en eenzaamheid mijn lichaam te vullen, de tranen wellen zich weer op. Voor enkele seconden vraag ik me af hoe ik na de afgelopen dagen nog steeds kan wenen. Maar die gedachte wordt al even snel verstoten als dat hij in me op gekomen was, door een andere gedachte, dat het toch niets uitmaakt. Ik wandel langzaam verder over de zandweg weg van de verlichtingspalen, ik heb me altijd meer op mijn gemak gevoeld wanneer ik dacht onzichtbaar te zijn. En verdwijnend in de schaduwen van deze nacht voelde ik me veilig.

Ik wandel verder tot ik boven aan de brug sta. De koude dringt zich door heen mijn kleren en vult mijn lichaam met een leegte die ik nooit eerder gevoeld heb. Mijn ogen laten zich lijden langs de sterren, naar de maan, die zijn licht werpt op het water onder zich. Het is prachtig. Ik laat mijn rugzak op de grond vallen, vlak naast mijn voeten. Mijn handen laten zich volgen door mijn vingers die op hun beurt de balustrade van de brug verkennen. Langzaam versterkt mijn handgreep zich tot de pijn mijn gewrichten lijkt te doorboren. Ik kijk nog even naar hoe het maanlicht weerkaatst op het water, daarna draai ik me om. Nog steeds houden mijn handen het ijzeren object, wat de rand van de brug moet aanduiden, stevig vast. Mijn lichaam voelt slap aan, alsof mijn hersenen niet langer over de kracht bezitten het te besturen. Toch slaag ik er in om met elk laatste beetje kracht in mijn armen mezelf omhoog te heffen, tot mijn voeten van de grond komen en ik op de rand van de brug zit. Met mijn rug naar het water gekeerd kijk ik op naar de lucht, nog een laatste keer laat ik me de adem benemen door hoe mooi de natuur is. Dan sluit ik mijn ogen. Zachtjes, langzaam, laat ik mijn lichaam naar achteren vallen. Wanneer mijn handen de grip verliezen, ontspan ik mijn lichaam. Voor heel even voel ik me vrij. Maar dan, een scherpe pijn die zich als duizend messen doorheen mijn lichaam snijd. Alles is zwart voor mijn ogen, en heel even heb ik de reflex naar boven te willen zwemmen. Maar ik weet niet waarheen en mijn lichaam is op. Mijn oogleden vallen toe wanneer ik niet langer de energie vind voor deze open te houden. En op een manier vind ik deze donkere minder angstaanjagend. In de tussentijd is het gevoel in mijn ledenmaten verdwenen. Alles wat ik nog voel is een hevige pijn in mijn hoofd, en het brandend gevoel in mijn borstkast. Ik ben bang. Terwijl mijn bewustzijn zich afneemt, maakt het bange gevoel ruimte voor nog meer flashbacks, en ik kan niets anders doen dan toekijken naar de film welke mijn hersenen zonet heeft samengesteld.

Een klein meisje, lachend.
Twee handen waarvan de vingers verstrengeld zijn met elkaar. En een lach, die ene lach waar ik jaren verliefd op ben geweest.
Geschreeuw, gevolgd door een hand die me bij mijn haar trekt.
Een spiegelbeeld, van mezelf, enkele jaren terug. Mijn make-up is uitgelopen en mijn ogen zijn vuurrood van het huilen.
Een warme huid die de mijne raakt, liefdevol. Zachte lippen die strelend over die van mij gaan, terwijl zijn vingertoppen mijn lichaam verkennen als onbekend gebied opzoek naar hun bestemming.
Mijn eigen handen die mijn haar tot dicht tegen mijn hoofdhuid stevig vasthouden tot ze verkrampen.
Al de leugens die elkaar bleven opvolgen tot ik niet meer wist wat de waarheid was.
Mijn voeten die de opgelegde danspassen nauw opvolgden.
Verschillende ziekenhuisgangen welke gevuld met vragen, maar ontbraken van de antwoorden.
Mijn zes jarige ik, rennend langs de kant van een toen nog onbekende straat. In paniek opzoek naar de auto waar mijn moeder me had verplicht uit te stappen, om me te straffen voor het tekenen van mannetjes met mijn vinger op de aangedampte ruiten.
Een woede uitbarsting, van mij, van hem, van haar.
De ogen van mijn vader die me plotseling in de ogen staren vol haat en afschuw kijkend naar zijn kleine meid, welke ik nooit heb kunnen zijn omdat hij me niet in zijn leven wou.
Mijn plafond waar ik nachten naar heb zitten staren wanneer ik niet kon slapen. Terwijl ik mijn tranen de vrije loop liet gaan.
Twee kleine armen die me stevig vasthouden rond mijn nek, een knuffel, mijn kleine broertje.
Mijn handen die op regelmatig tempo het leren omhulsel van mijn bokszak raken. Elke klap met meer kracht achter. Tot mijn handen een blauwe kleur krijgen en mijn vingers beginnen op te zwellen.
De honger die elke dag steeds agressiever werd wanneer ik weer dagen niet had gegeten. Maar het genoegen dat ik voelde bij elke gram die ik kwijt raakte.
Mijn lichaam dat werd aangeraakt op plaatsen waar ik geen handen wou, op momenten dat ik aan de moed ontbrak om deze weg te duwen.
Het gevoel van mijn menselijkheid dat steeds kleiner werd, en meer en meer werd vervangen door gevoelens die bij een dier, of voorwerp horen.
Maar mijn ziel die steeds bleef weigeren zich over te geven aan haat, koude en woede. Maar hierdoor verloren raakte in mijn eigen lichaam.
Het zoeken naar mijn vader, en ook mezelf, in iedereen die ik tegen kwam.
Al de dates, onenightstands en losse berichten waarin ik iets zocht wat mijn verlangen naar liefde zou doen stillen. Maar het enige wat ik vond, was mijn hand, die keer op keer, werd losgelaten.

Wanneer de film aan gedachten geleidelijk aan begint te vervagen, blaas ik voor de laatste keer, het laatste beetje zuurstof wat er zich in mijn longen bevindt, uit.