Categorieën
Non-fictie

Levenslang tROUWma

Als kind was ik altijd onder de indruk als een klasgenootje naar school kwam met een arm in het gips. Glunderend stonden ze dan in het middelpunt van de aandacht, en vertelden ze stoer hun verhaal, keer op keer. Ze waren gevallen tijdens het skiën, het paardrijden, het voetballen. En iedereen stond te dringen om iets te mogen schrijven op het gips. Ik fantaseerde dan wel eens dat ik zelf ook zou vallen en met gips naar school zou komen. Zo stoer. Als je dan na enkele weken eindelijk uit dat gips mocht, zette je het op je nachtkastje, als een trofee.

Hoe onhandig ik ook was, in al die jaren maakte ik genoeg schuivers, maar gips kwam er nooit. Een pleister hier of daar, en gewoon weer verder, lichtelijk beurs en geschaafd. Tot twee weken voor mijn 25e verjaardag, toen “gewoon” weer verder gaan nooit meer mogelijk werd.

Ik had mijn werk afgerond en was onderweg naar huis. Aan het eind van de dag, altijd dezelfde route, hetzelfde tijdstip. De zon scheen helder en voelde warm op mijn huid. Mijn zomers gekleurde jurkje wapperde vrolijk achter me aan op de fiets. Ik genoot van de perfecte zomerdag. Tot ik van de zijkant geschept werd, en enkele meters door de lucht vloog. Met mijn hoofd belandde ik op het asfalt. Mijn hersenen stuiterden rond in mijn schedel, terwijl mijn lichaam op meerdere plekken brak.

Hulptroepen waren er snel bij, maar ik wilde alleen maar weg. Ik worstelde en duwde, ik wilde niemand bij me in de buurt. Met moeite probeerde ik op te staan, maar vreemden hielden mij vast op de grond. Ik wilde naar ze uitschreeuwen: laat me met rust! Maar praten lukte niet. Met gillende sirenes nam een ambulance mij mee. Onderweg liet mijn lichaam mij echter in de steek, en zwoegden hulpverleners om mijn hart op gang te houden tot we bij het ziekenhuis aankwamen.

Na de nodige onderzoeken en scans legden ze mij in een ziekenhuiskamer, met muren kaal en onpersoonlijk. Op het prikbord aan de wand hing enkel een A4’tje met mijn dagschema: slapen, opstaan, zitten, lopen, zitten, slapen. Wat overbodig.

Het waren lange dagen, waarvan ik me enkel nog flarden van MRI apparaten herinner, en geschuifel door de gang. Ik lag urenlang op bed, en keek naar het kleine televisieschermpje aan het plafond, zonder te registreren wat ik zag. Af en toe had ik bezoek, en voerden we gesprekken die ik me achteraf niet meer kon herinneren. Ik stuurde vrienden incoherente berichtjes, en viel steeds maar in herhaling. Om de zoveel tijd kwam er een verpleegkundige langs, een neuroloog, een traumachirurg. Ze legden me uit wat de schade was, maar vergeefs. Het wilde mijn gefractureerde schedel niet doordringen. Het enige wat me bezighield was hoofdpijn.

Een knallende hoofdpijn. De zwelling op mijn achterhoofd bonsde continu, en hield me wakker. Ik was duizelig, misselijk en had geen trek. Langzaam kwijnde ik weg in een ziekenhuisbed, vroeg ik om pijnstillers en, ondanks alles, wanneer ik nou eindelijk naar huis mocht.

Na tien dagen werd ik in een rolstoel naar de uitgang gereden, en bracht een taxichauffeur mij tot mijn teleurstelling naar een revalidatiecentrum. Mijn nieuwe kamer was mooier dan die in het ziekenhuis, met zacht gekleurde wanden, die na verloop van tijd gevuld zouden worden met beterschapskaarten. Er stonden twee bedden, die achterin bij het raam werd aan mij toegewezen. Een verpleegkundige gaf me een korte introductie die volledig aan mij voorbijging, en ik knikte gedwee, al begreep ik niet wat ik daar deed.

De weken daarop volgde ik netjes mijn dagrooster. Ik ontmoette psychologen, fysiotherapeuten, ergotherapeuten, logopedisten, sportinstructeurs, en deed alles wat mij gevraagd werd. Het was immers een formaliteit, en ik zou snel weer naar huis gaan. Dat ik me steeds vasthield aan muren, stoelen en tafels om te kunnen lopen, was normaal. Dat ik vervolgens achter een rollator sjokte, deed mij niets. Ik had alleen maar hoofdpijn, dat zou met wat pijnstillers wel wegtrekken.

Ik keek naar de andere revalidanten om mij heen. Ik zag mensen in rolstoelen, met missende ledematen, verlammingen en ingedeukte schedels. Fragiele mensen die geen woord meer uit konden brengen en enkel glazig voor zich uit staarden. Die mensen hoorden hier, niet ik.

Na enkele weken begon de hoofdpijn eindelijk weg te zakken, maar beter voelde ik mij niet. Want ik was nog steeds duizelig. Ik moest hard nadenken om zinnen te kunnen formuleren. Ik was continu moe, en mijn geheugen en concentratie lieten me in de steek. Het was alsof ik in een ander lichaam zat dat niet meer deed wat ik wilde. En dat hoorde niet.

Met het verdwijnen van die allesoverheersende hoofdpijn werden alle andere klachten juist voelbaar. Toen kwam pas de realisatie dat ik hier niet zat voor hoofdpijn. Dat een schedelfractuur maar een klein ongemak was geweest, en hersenletsel de rest van mijn leven zou beheersen. Een leven waar je na een rustige middag nog dagen draaierig op bed ligt, te uitgeput om op te staan.

En ik brak.

De emoties die de afgelopen weken veilig weggestopt zaten, haastten zich naar boven, allemaal tegelijk. Ik huilde en schreeuwde, ik trilde. Ik was er klaar mee, met de wereld, met mezelf, en ik gaf op. Ik droomde hoeveel beter het zou zijn geweest als ik door een vrachtwagen geraakt was, in plaats van door die miezerige wielrenner. Gewoon in één klap, pijnloos, alles voorbij.

Soms wilde ik dat ik in gips was beland, gewoon een arm of een been. Een paar weken ongemak, maar daarna genezing, en weer verder alsof er niets was gebeurd. In plaats van het omgekeerde, de rest van mijn leven vol ongemak, en de ijdele hoop op genezing.

Ik werd meegezogen in een vicieuze draaikolk, waarin depressieve gedachten en slechte dagen elkaar steeds maar afwisselden. Ik zag mijn toekomst uit elkaar spatten, al mijn dromen ongrijpbaar. Daar zat ik, met mijn ambities om op ambassades te werken. Met het plan om al die mooie landen te bezoeken waar ik nog geen tijd voor had gehad.

Ik ben in de rouw, over het onverwachte verlies van een persoon die er niet meer is, die ik niet meer ben. Zonder de kans te krijgen om me nog een laatste keer te realiseren hoe mooi het leven was en daar vol van te genieten. In plaats daarvan werd het abrupt onder mijn voeten weggetrokken, en ging ik hard onderuit.

Het litteken op mijn achterhoofd bonst nog vaak, alsof het me probeert te herinneren dat het er nog steeds zit. Hoewel mijn geheugen mij regelmatig in de steek laat, draag ik dit trauma mijn leven lang mee. Hoe graag ik het ook zou willen vergeten.