Categorieën
Non-fictie

Kippie

Kippie

‘Heb je het al gehoord? Ze hebben die jongen van Kippie gevonden. Doodgevroren.’
Ik ben een jaar of 6. Het is nieuwjaarsdag en ik zit onder de eettafel, in mijn zondagse jurk, met mijn poppen. Dichtbij zijn de benen van mijn moeder en mijn tante Riek, in huidkleurige nylons gehuld, zachte pantoffels met een bontrandje.
Er is verder niemand in de kamer en toch wordt het verhaal op fluisterende, samenzweerderige toon uit de doeken gedaan.
Kippie was de poelier bij ons aan de overkant, ik vond die winkel eng en spannend tegelijk. Vaak stond ik met mijn neus op de etalageruit gedrukt en keek griezelend naar de naakte kippen en hazen die aan grote metalen haken aan het plafond hingen. Kippie, altijd met een met bloed besmeurd voorschoot, vond het leuk om, met zijn grote hakmes, dreigend naar mij te zwaaien. Het zwaaien alleen al was voldoende voor mij om het op een lopen te zetten.

Kippie en zijn vrouw ‘lustten ‘em graag’. Daar waren er meer van in de buurt. Oudejaarsavond. Blijkbaar was het echtpaar laveloos naar bed gegaan. De oudste zoon kwam thuis uit de kroeg. Als een maleier, had geen sleutel, kon pa en moe niet uit hun roes krijgen. Klom via de steeg over de schutting, viel, raakte bewusteloos en vroor dood.

Nieuwjaarsdag. De winkels waren gesloten maar dat hield het geouwehoer niet tegen. De buurt sprak er schande van, het was het gesprek van de dag. Ondanks de kou hingen veel mensen uit het raam (kussen onder je ellebogen), om maar niks te missen van het spektakel. De dokter, de politie, de lijkwagen, alles werd nauwkeurig in de smiezen gehouden en verslag van gedaan. Hier en daar lekker aangedikt, met sappige, al dan niet uit de duim gezogen, details.
Kippie en zijn vrouw zijn er nooit meer overheen gekomen. De winkel bleef dicht en zij waren opeens vertrokken. Niemand wist precies waar naar toe. Na een paar weken stond een auto van de Gemeentereiniging voor de deur, er was door de buurt geklaagd over stank.
‘As rotte eiere, misschien legge ze daar wel te krepere,‘ zei mijn tante Riek, die er boven woonde.
Dat was niet zo, het waren de kippen, die waren er nog, dood, maar toch levend. Door de maden.
Als kind was ik vooral onder de indruk van alle commotie. Nu, als moeder, begrijp ik pas de tragiek van het verhaal.