Categorieën
Non-fictie

Kakken

Kakken

Ik was met tram 15 op weg naar de Groenplaats, toen ik het voelde opkomen. Het was zo’n klammige zomerdag en de lucht in het rijtuig was op dit spitsuur bezwaard met mensenzweet en verdoezelende parfums. Ik had een zitplaats aan het raam bemachtigd, vlakbij de toegangsdeur, om – telkens wanneer die bij een halte openging – zoveel mogelijk frisse lucht binnen te kunnen happen. Al van jongs af aan werd ik makkelijk wagenziek, ook in treinen en bussen en zelfs op de tram. En zeker als die ondergronds reed. Maar vandaag was het iets heel anders. Het begon met een weeïg gevoel in de onderbuik dat al spoedig omsloeg in een hevige kramp.

‘Volgende halte, Plantin,’ kraakte een verveelde vrouwenstem door de luidspreker. Ik stond op, in de hoop dat een andere houding de kramp zou doen wegebben. Na een tijdje bleek dat ook zo te zijn. Maar het werd tevens overduidelijk dat ik het geen vier haltes meer zou uithouden. Ik wiebelde van het ene been op het andere en hield mijn kringspier nauwgezet dichtgeperst.

‘Volgende halte, Diamant, Centraal Station,’ waarschuwde dezelfde stem en wanneer het tramstel eindelijk stilstond en de deuren openbiepten, spoelde ik mee met de mensenzee naar buiten. Enigszins opgelucht haastte ik me naar de openbare toiletten aan het oude perron, maar die bleken niet meer in gebruik te zijn. Ik keek vluchtig rond maar zag geen bruikbare aanwijzing, geen mogelijke redding. Er was geen tijd meer te verliezen. Ik voelde de druk in mijn darmen alsmaar vergroten. Ik moest op de pot, nu! Dan maar naar buiten in een café of zo. Ik versnelde mijn pas en met korte pasjes bereikte ik eindelijk het Astridplein.

Ik overschouwde de situatie: links op de hoek, Hotel Monico. Te ver, daar haal ik het toilet waarschijnlijk niet! Rechts de Paon Royal, en die zag er gesloten uit. Net ervoor stonden twee grote toerbussen geparkeerd. Nog maar eens Rob De Nijs in de Koningin Elsabethzaal. Die twintig meter haal ik misschien nog net, dacht ik. De eerste tien stappen, die lukten nog, maar bij de elfde werd het iets warm tussen mijn billen. Ik neep nog iets harder, versnelde mijn korte pasjes nog meer en liep recht naar de smalle ruimte tussen de twee bussen. Ondertussen begon ik mijn broek alvast los te knopen. Ik murwde me tussen de bumpers, trok mijn broek omlaag en ging tegelijkertijd op mijn hurken zitten, terwijl de warme stortvloed al op de kasseien pletste.

Amper een paar tellen na de extase van de bevrijding, waren de praktische problemen er weer: met één hand hield ik angstvallig mijn broek uit de smurrie, met de andere viste ik een zakdoek uit mijn broekzak en legde hem op mijn knieën. Zonder er verder bij na te denken veegde ik letterlijk mijn gat af – zonder papier – en schraapte daarna mijn hand schoon over de rand van de bumper van Rob. En nog eens, en nog eens, tot ik tevreden was over het resultaat en eindigde met de zakdoek, die ik uiteindelijk onder de bus zwierde. Toen ik voldaan opkeek, keek ik recht in de grote ogen van het jongetje dat zijn moeder bij het gebeuren staande hield en uitriep: ‘Kijk mama, die meneer daar heeft kakka gedaan, foei!’
Betrapt stond ik aarzelend recht en trok razendsnel mijn broek op en voelde een kouwe nattigheid in mijn bilnaad. Ik draaide me om en wandelde resoluut naar Hotel Monico. Ik liet mijn besmeurde onderbroek achter in het toilet en wandelde parmantig – als een Schot in kilt – richting Keizerlei.
Een vreemdsoortig gevoel van vrijheid. Een beetje zoals de eerste keer naaktzwemmen.