Categorieën
Non-fictie

In het hol van de leeuw

Ik ben in het hol van de leeuw, in de hel misschien wel. Op van de zenuwen, weinig geslapen vannacht. Ook niet die paar uur in de auto, op weg hiernaartoe. We staan in de rij voor het stadion. Wit-zwarte shirts en oranje uitgedoste mensen, braadworsttentjes, kapotgetrapte plastic bierbekertjes overal. Ik hou papa’s hand vast. Hoempapamuziek ergens vanuit de verte.

‘Dit gaat vast mis, zelfs in ’74 met Cruyff erbij ging het alsnog mis’, zegt papa. In 1974 was ik er nog niet, maar ik moet even terugdenken aan die ene avond, die rampzalige avond, een paar jaar geleden, toen het ook anders liep, terwijl het toch allemaal zo veelbelovend begon.
In mijn herinnering zie ik een volle huiskamer voor me, papa, mama, Marcel en Simone, buurman Wolf – die zelf geen tv had en voor belangrijke wedstrijden altijd bij ons langskwam. Ome Hidde en tante Margreet waren er ook, met Ronnie en Franky. Het hele L-vormige bankstel was vol, mama haalde extra stoelen uit de keuken, terwijl ik op een kussen op de grond lag, vlakbij de tv, om alles zo goed mogelijk te zien. De plaats vlakbij de tv betekende echter ook dat je “tv-dienst” had: naar de tv lopen om het geluid harder of zachter te zetten of om van kanaal te veranderen. Maar omdat die plompe tv met eikenhouten motieven aan de zijkant alweer een jaartje ouder was moest er af en toe, als het beeld begon te sneeuwen, een flinke klap op de zijkant worden gegeven.
Op tafel stonden schalen met blokjes kaas en plakjes worst, bij elkaar gehouden door een prikkertje met een zilveruitje erop. De asbak stond vlakbij buurman Wolf, hij stak de ene sigaret aan met de andere. Wanneer hij iets zei nadat hij net een trekje had genomen van zijn sigaret dan werden zijn woorden vergezeld door rookwolkjes en als hij lachte dan klonk het eerst heel hoesterig, daarna heel uitbundig. Hij maakte vaak grapjes, veel daarvan zou ik jaren daarna nog met succes doorvertellen aan vriendjes, studiegenoten en collega’s.
Na een korte inleiding door de omroepster begon de uitzending. Mama fluisterde in mijn oor dat ik ditmaal wel tot het einde van de wedstrijd mocht opblijven. Beide teams stonden opgesteld op het drassige veld, sommigen droegen een maillot onder hun sportbroekje. Voordat er werd begonnen met de volksliederen zong de Zangeres Zonder Naam met een paraplu in haar hand eerst nog “Mexico”, vergezeld door een fanfarecorps, waarbij de hele Kuip meezong met die hoge uithaal. Ik moest ook lachen om de naam van de bondcoach, “Beenhakker”, ‘Is dat zijn échte naam?’, vroeg ik aan papa, hij knikte glimlachend.
De eerste helft was niet zo spannend. Tijdens de rust moest iedereen ineens naar de wc, dus even wachten. We kregen een bakje met Nibb-it’s terwijl de volwassenen de ossenworst en kaas hadden opgegeten en papa in de rust de frituurpan opzette voor de bitterballen. De tweede helft verliep een stuk beter, al snel stond het 1-0. Iedereen in de woonkamer veerde op bij het doelpunt. Tijdens het juichen viel de askegel van buurman Wolfs sigaret op de grond, maar niemand die erop lette. De hapjes waren in no-time op, mama haalde de bitterballen uit de keuken. Papa schonk iedereen bij, bier, wijn, ome Hidde dronk Berenburg, Rivella voor mama vanwege haar diabetes en voor ons Roosvicee.
Niet veel later werd het zelfs 2-0 voor Nederland, er klonk “Oléeeee, olé, oléeee!” en ‘Wat zijn die Belgen stil!’. Iedereen wist het zeker, dit kon niet meer mis gaan: Nederland ging naar het WK in Mexico. Papa bleef iedereen bijschenken. Buurman Wolf pakte een grote sigaar en gaf het bandje aan mij. De aandacht verslapte langzaamaan, iedereen maakte grapjes, er werd steeds minder op de wedstrijd gelet. Tot vier minuten voor tijd, toen het noodlot toesloeg: België scoorde, het stond 2-1. Het gelach en geginnegap verstomde meteen.
‘We staan toch nog steeds voor?’, zei ik, maar papa antwoordde dat een doelpunt van een gastland in zulke wedstrijden dubbel telde.
‘Wat stom!’, riep ik, tegen niemand in het bijzonder. Heel even was er hoop dat Nederland nog zou scoren toen een lange roodharige spits de bal kreeg, maar ook hij kon in die laatste minuten geen potten meer breken. De scheidsrechter vloot af, de woonkamer werd muisstil. Tante Margreet en ome Hidde vulden zwijgend hun glazen bij, tot aan de rand, terwijl mama aan het afruimen en vervolgens aan de afwas begon. De woonkamer stroomde leeg, in de achterkamer klonk zacht gevloek gevolgd door een rokerige hoest.
Ik vocht tegen de tranen, een strijd die ik snel verloor. Papa kwam later op de avond nog even kijken of ik al sliep: natuurlijk niet. Winnen met 2-1 en tóch niet naar het WK gaan, wat oneerlijk allemaal.
‘Dat hele voetbal kan me gestolen worden’, zei ik, bijna onverstaanbaar tussen de tranen door. Papa omhelsde me, waardoor ik zijn gezicht niet kon zien, al voelde ik dat zijn gezicht wel vochtig was. Het duurde lang voordat ik eindelijk in slaap viel…
‘Hé!’, klinkt het ineens. Ik kijk op, verschrikt. De kaartjescontroleur kijkt me streng aan en zegt iets op norse toon in het Duits tegen papa, het past bij zijn groene uniform en zijn pet met zilverkleurig embleem. We mogen doorlopen, iedereen in ons vak is oranje gekleurd.
De wedstrijd begint, er hangt een vrolijke, uitgelaten sfeer, ik zit op het puntje van mijn stoel. Er gaat een wave door het stadion, mensen roepen “Aanvallen!”. Iedereen staat, de stoeltjes blijven even onbenut, daarna weer terug naar de puntjes van onze stoelen. Nederland start nerveus, we spelen onrustig, zij zijn eigenlijk beter. Maar Nederland richt zich op, kansen nu over en weer, maar doelpunten blijven uit. Pauze. Voor mij een worstenbroodje, voor papa een biertje. De tweede helft begint, geen tijd meer voor de wc. Het spel verhardt. Naast ons rookt iemand een sigaret. Ze krijgen onterecht een penalty. Matthäus legt aan vanaf elf meter: 1-0 voor West-Duitsland.
‘Godverdomme!’, zegt m’n vader, ‘Zijn we er wéér ingetuind!’. Hij vloekt normaal gesproken nooit. Nederland groeit in de wedstrijd, het gaat steeds beter, maar ballen gaan net naast en net over. M’n vader vraagt de man naast ons om een sigaret, hij rookt normaal gesproken nooit. Hemeltergende minuten verstrijken zonder doelpunt, om moedeloos van te worden.
Penalty voor ons! Iedereen veert op, Koeman achter de bal, de aanloop. Ik kijk naast me, mijn vader heeft z’n ogen dicht. Ja! 1-1, er is weer hoop. Het gaat steeds beter, een bal op de lat, bal op de paal, om moedeloos van te worden. De wedstrijd is bijna afgelopen, nog een paar minuten te gaan, één Nederlandse aanval nog. De bal is bij Koeman, Wouters, Van Basten, nog altijd Van Basten, nu in een onmogelijke hoek, maar hij glijdt de bal toch richting doel, traag, maar precies buiten bereik van de doelman… 1-2! Iedereen in het oranje vak veert op, ik ben nog nooit zo hoog opgesprongen. Wildvreemden omhelzen elkaar en wij hen. Bier spat om ons heen, overal vliegen plastic bierbekertjes in het rond. Er wordt gesprongen en gezwaaid met oranje sjaaltjes. Ik kijk naast me, mijn vader lacht en heeft tranen in zijn ogen, hij huilt normaal gesproken nooit. Het stadion is van ons. Ik ben op de mooiste plek van de wereld.