Categorieën
Non-fictie

Hoofdstuk

Wit. Alles is altijd maar zo wit. Wit vind ik eigenlijk helemaal geen fijne kleur. Het wordt snel vies en er zijn net iets te veel tinten van. Ik heb liever groen, of blauw, maar geen wit. Gek dat een kleur die eigenlijk alle kleuren bevat zo leeg en kil kan zijn, zeker als je er een paar uur naar moet staren.

‘En hoe gaat het met jou?’ vraagt ze met een glimlach die in haar linker mondhoek verdwijnt. Niet dat ze daar zelf iets aan kan doen. Dat doet Truus of Kees of hoe ik dat ding ook ga noemen. Dat ding, het weefsel dat wel goedaardig is, maar op de verkeerde plek groeit. Dus ik vraag me af waarom het toch goedaardig wordt genoemd. Beetje dubbelop ook, goed en aardig, voor zo’n verkeerd ding.
Haar vragende ogen met een onzekere blik onderbreken mijn gedachten.
‘Uhm wel goed.’ antwoord ik.
Haar ogen veranderen van kleur en ze kijkt me streng aan, net als vroeger vlak voordat ik ging gillen. Ze gelooft me niet, en daar kon ik vroeger niet zo goed tegen.
‘Echt het gaat wel goed, beetje veel aan mijn hoofd, maar verder wel prima.’
Ze lacht, en ik lach mee. We weten allebei dat het eigenlijk nog veel te donker is in mijn hoofd, maar we nemen het voor lief. Lief, ja, mijn beste valkuil.
‘Zullen we anders nu een rondje rijden?’ vraag ik.
Ze knikt en gaat met moeite overeind zitten. Ze hoest en haar mond, behalve het linkerhoekje, vertrekt van de pijn.
‘Weet je het zeker?’ vraag ik, terwijl ik de rolstoel voor haar klaarzet.
Ze gaat zitten, en voorzichtig haal ik hem van de rem.
‘Kijk uit voor de lift, het bonkt zoals we hem binnen gaan.’ zegt ze.
Voorzichtig doen dus. Terwijl ik haar heel zachtjes de lift in rijd, druk zij op het knopje. We houden er allebei van om op knopjes te drukken, maar dit keer mag zij natuurlijk.
We gaan naar beneden, naar de tuin gewoon om even te kijken. Ik had verwacht dat ik dit zou doen als we misschien rond de tachtig waren. Samen, gewoon even naar de tuin als twee oudjes, omdat we als kinderen besloten hadden oud worden samen te doen. Maar nu, allebei begin twintig, duw ik haar rolstoel naar het raam en baal dat het regent. Onbewust geef dat het gevoel dat ik faal, want we wilden eigenlijk naar buiten, en ik wil alles perfect voor haar. Ik voel dat ze onrustig wordt, ze wil terug naar haar kamer. Niet dat ze dat zegt. Maar dit keer beslis ik. Dus rijden we terug over de grijze vloer langs alle witte muren, voorzichtig de lift in en weer naar boven.

‘Soms zitten er konijntjes.’ zegt ze terwijl ze uit haar raam naar een lager gelegen dak van het ziekenhuis wijst. Ik kijk haar vragend aan en probeer het mij in te beelden; konijntjes op het dak van het ziekenhuis. Maar veel tijd heb ik niet want mijn moeder vult de kamer met haar aanwezigheid. Met z’n drieën zitten we en praten. Het verdriet is bijna tastbaar en zo breekbaar, dus daarom breken we het maar niet. Na de koffie of thee en hier en daar een misplaatste opmerking ben ik blij als mijn zus en ik weer alleen zijn. Ik vind het fijn om met haar alleen te zijn. Ze voelt als een deel van mijn thuis, dat eigenlijk altijd een droomkasteel is geweest. Maar zij is een echt stukje, een tastbaar stukje, een heel fragiel stukje dat ik nog lang niet kwijt wil.

Later in de trein als mijn hoofd zichzelf verdwaalt in hersenspinsels en herinneringen trilt mijn telefoon. Een foto van een konijntje op het dak van het ziekenhuis.