Categorieën
Non-fictie

Hij is een God van levenden

Hij is een God van levenden

Op een frisse voorjaarsochtend, ik zat achter mijn laptop en deed de dingen die mijn werkgever van mij verwachtte, ging de telefoon.
‘Dag Maarten?’
‘Ja mama.’
‘De artsen willen graag overleggen met jullie hoe het verder moet. Kun je zo rond 11 uur?’
Ik was naar de gang gelopen, waar boven de deur een houten kruis met een kunstig vormgegeven Christus hing. Gekocht op marktplaats. Toen het in een verfrommeld doosje, ingepakt in kranten en bubbelplastic aankwam rook het nog naar de sigarenrook van het klooster. Tussen het beeld en het kruis was een verdroogd olijftakje geklemd, kwetsbaar, meegenomen uit het heilige land door een vriendin. ‘Natuurlijk. Ik word gebeld? Wat is er?’
‘Ze willen graag dat jullie erbij zijn. Verder weet ik het niet. Ik hang op, de zuster wil iets van mij.’
Ze was dat weekend opgenomen in het Radboud Ziekenhuis. Niet voor het eerst. Ik kende inmiddels blind de weg in de eindeloze gangen, wist welke kantine zelfs op eerste kerstdag open was en welke parkeerplek het beste was als je in een gierige bui was.
Op vrijdag was het woord longschimmel gevallen. Ik had het gehoord, maar geweigerd na te denken over de betekenis van dat woord. Ze was wel vaker opgenomen. Ze was ook telkens weer ontslagen.

‘Dank dat jullie allemaal op zo korte termijn beschikbaar waren,’ zei een vrouwelijke arts. ‘Ik zit hier met uw moeder en met dokter G. Als ik het goed heb spreek ik met de zoons, Maarten en Floris?’
Wij mompelden, allebei iets bevestigends.
‘Uw moeder moet naar huis, maar dan moet er wel iemand bij zijn die bepaalde handelingen kan verrichten. Zoals wij vanochtend bespraken, is het niet gelukt de schimmel op de long onder controle te krijgen. Dat betekent dat de behandeling voor ons hier stopt. Maar het vervelende aan zo’n longschimmel is dat die een bloedvat kan beschadigen. In dat geval is het zaak dat uw moeder snel in slaap wordt gebracht, want de long loopt dan vol bloed. Dat betekent dat iemand haar een spray en daarna een injectie moet kunnen toedienen.’
Stilte.
‘Hallo? Bent u daar nog?’
‘Ja,’ zei ik, ‘ik weet niet of ik dat kan doen.’ Ik was weer naar de gang gelopen, keek naar Christus aan zijn kruis en dacht, dit is het dus. We zijn nu op dat punt aangekomen. Zo gaat dat dus, als de weg doodloopt.
‘Wacht even,’ zei Floris. ‘Wat is er precies aan de hand? Waarom kan ze niet gewoon bij jullie blijven?’
‘Helaas moet uw moeder weg. Wij hebben geen verdere mogelijkheden meer hier, maar we gaan jullie natuurlijk wel begeleiden. En het hoeft niet direct vandaag. Dat hoeft echt niet.’

Die avond reed ik naar Nijmegen. Het voorjaar diende zich aan en het was warm voor half april. Ik parkeerde in de ondergrondse garage, vlak bij de hoofdingang en liep door de verlaten gangen van het ziekenhuis, langs het restaurant, de stoelen en tafels rechtgezet, de laatste kartonnen koffiebekers opgeruimd, naar de afdeling hematologie. Ik was de laatste, Floris en Martin zaten al rond haar bed. Om haar kamergenoot niet te storen, zochten we een zaaltje op de gang.
‘Hier zaten we vanochtend ook, toen wij jullie belden,’ zei ze. Een van de muren bestond uit een grote glazen wand die uitzag op de gang. Hoog in de hoek hing een televisietoestel met een bol scherm. Aan de wand een whiteboard, voor als de arts zijn diagnose visueel kracht bij wilde zetten.
Wij zwegen, keken naar het uitgeschakelde toestel.
‘Wij moeten bespreken hoe het verder moet,’ zei ze.
Niemand gaf antwoord.
‘Ik wil naar een hospice. Maar eerst wil ik thuis nog een paar dingen regelen. Ik hoop dat dat kan. Ik ben natuurlijk een wandelende tijdbom.’
‘Wat zegt de arts?’ vroeg ik.
Ze vertelde dat ze haar zouden helpen met het vinden van een plek in het hospice. Dat daar een transitieteam voor was, die alle beschikbare plekken zou inventariseren. Maar dat het lastig was omdat ze eerst nog naar huis wilde.
‘Maar wat wil je dan nog regelen?’ vroeg ik.
‘Dat jullie spullen terug kunnen vinden. De begrafenis. Ik moet ook wat werk uitbesteden, dat dingen door kunnen lopen. De arts zegt dat het kan, maar dat er wel een verpleegster aan huis moet komen die dag en nacht blijft en eventueel die spuit kan geven.’
Het was nog steeds warm toen ik met Floris en Martin het ziekenhuis uit, richting de parkeergarage liep. Wij zwegen onder de last van wat zou gaan komen.
‘Kom, ik rij naar huis,’ zei ik. ‘Er moet een hoop geregeld worden morgen.’

Een week later hebben wij haar naar het hospice gebracht in een dorp niet ver van Nijmegen. Het was een bewolkte dag en de temperatuur was aangenaam. Toen Floris en ik, na een dag telefoneren met instanties eindelijk de onherroepelijke toezegging van een plekje hadden weten vast te leggen en het uur van vertrek gekomen was, zaten wij, mijn moeder en haar gezin, zwijgend rond het uitgeschakelde televisietoestel.
‘Kom, we gaan,’ zei ik na enige tijd. ‘Makkelijker wordt het niet.’
Na een korte autorit kwamen wij aan bij een zorgcomplex, waarvan slechts een klein deel bestemd was voor patiënten wier sterven ook op de zeer korte termijn onafwendbaar was geworden. Op de aangrenzende afdeling wemelde het van demente bejaarden die voortdurend probeerden te ontsnappen. ’Nee, je bekijkt het maar, ik ga weg!’.
De gangen waren bedekt met dat universele zeil waarmee zorginstellingen en ziekenhuizen worden gestoffeerd. Langs de muren liepen overal brede armleuningen en de vuige strook reliëfbehang daarboven vertoonde met onregelmatige tussenpozen gele vlekjes.
Een vriendelijke dame verzorgde de intake. Of mijn moeder nog een tripje met de wensambulance wilde maken.
‘Nee.’
Of ze iets speciaals wilde eten want dat moest dan tijdig worden doorgegeven aan de keuken.
‘Nee.’
Dat er ook nog wel het een en ander mogelijk was op alcoholisch gebied, want hoewel de kaart van het grand café alleen maar licht alcoholische dranken vermeldde, was er voor de patiënten van deze afdeling nog een geheim kastje in de keuken.
‘Nee, dank u.’
Ik zag hoe mijn moeder putte uit haar beleefde vriendelijkheid en dat haar dat steeds meer moeite kostte. Ze was bedroefd. Ze was nog lang niet klaar met dit leven en waar haalde God het gore lef vandaan om voor haar te beslissen dat zij al die dingen die nog op haar lijstje stonden niet meer ten uitvoering zou kunnen brengen?

De dagen die daarop volgden ging zij langzaam achteruit. Eerst kwamen nog familieleden uit Brabant invliegen maar al na een week vroeg ze mij een bordje op haar deur aan te brengen met de tekst ‘geen bezoek’. De dosis morfine werd steeds verder verhoogd en ook overdag dommelde zij geregeld weg in haar stoel. Totdat ook die stoel te inspannend was geworden en zij niet meer uit bed kwam.
De schemering viel door het raam, dat uitkeek op de binnenplaats die werd gedeeld met de ontsnappingsgevaarlijke gedetineerden van de alzheimer-afdeling. Mijn moeder lag al enige tijd te suffen in bed, nauwelijks nog in contact met haar omgeving. Plotseling schrok ze wakker, kwam overeind en keek mij met geknepen ogen aan.
‘Ben je hier nou nog steeds? Ga toch naar huis, naar de kinderen.’ Ze liet zich weer in haar kussens vallen. Ik bleef nog enige tijd zitten in de stoel naast haar bed. De dood was in de buurt, ik rook soms haar parfum al op de gangen, maar ze was nog niet zo dichtbij dat zij haar al vannacht zou meenemen. Maar ik twijfelde. Als ik nu zou gaan, sloot ik iets af dat niet meer terug zou komen. Haar lichaam zou er morgen nog wel zijn, maar mijn moeder, had ik alleen vanavond nog bij me. Ik keek naar haar, hoe ze daar dun en kwetsbaar lag, haar benen gekruist onder de geblokte ziekenhuisdeken. En op dat moment, op die kamer in dat hospice, terwijl de voorjaarswarmte het land in stroomde en de geur van de zomer alleen nog buiten werd gehouden door die van het medische ontsmettingsmiddel waarnaar alle verzorgingstehuizen in Nederland ruiken, toen, op dat moment zag ik dat de persoon in dat bed Jezus was. De gekruisigde Jezus. Ja, zij was mijn moeder, maar op dat moment was zij ook God. De universele mens. De universele moeder. Mijn moeder.
Toen zij weer even wakker werd, heb ik haar omhelsd. En ook zij wist dat dit onze laatste ontmoeting was, want eigenlijk wilde ze mij niet loslaten, zodat ik het gevoel had dat ik mij van haar had losgerukt, toen ik een paar minuten later door de verlaten gangen van het verzorgingstehuis liep. Ik had iemand willen zeggen: ‘Kijk in kamer 2.53, daar ligt Christus. Zij is mijn moeder en zij gaat dood.’
Maar zelfs de nachtportier was even van zijn plek.