Categorieën
Non-fictie

Hij en ik

Ik steek de sleutel in het slot en hoor hem achter de deur al enthousiast blaffen. Als ik de deur open zwaai, springt ‘ie minstens net zo enthousiast tegen mij op. Loopt mee naar de keuken, richting de riem. Hij weet al wat we gaan doen, als ik kom.
Dat hij dit bij elke willekeurige persoon zal doen die hem uitlaat, wuif ik even weg uit mijn gedachten. Ik doe net alsof hij blij is om mij te zien.
Het samen lopen gaat steeds beter, alsof we afgestemd raken op elkaar, van elkaar weten wat we willen. Soms loopt ‘ie een heel stuk achter mij, om na een tijdje vervolgens een inhaalslag te maken en naast mij komt lopen. Zijn kop omhoog doet en met zijn bruine, lieve kijkers een blik op mij werpt. Net of hij zeggen wil: ‘ik ben er nog, jij ook?’ Alsof hij zoekt naar een connectie. Ik kan het niet laten hem dan even een aai over zijn koppie te geven. Te laten merken dat ik weet dat hij er is en ik deze loopronde voor hem zal zorgen. Het is maar een kort ogenblik, één die meer zegt en doet dan duizend woorden.
Even zo snel als hij naast mij loopt, sprint ‘ie naar voren. En terwijl hij zijn energie kwijt kan, het ene pad in rent en meters verder weer tevoorschijn komt, laat ik de vele gedachten in mijn hoofd wegvoeren met de harde wind die door het bos waait. Ze waaien door de takken en de bladeren van de bomen, ver naar de horizon. Alleen hij en ik in dit bos. En een enkele voorbijganger met soortgenoten van hem.
Af en toe kijkt hij achterom, alsof ‘ie checkt of ik er nog wel ben. Ik bevestig zijn blik en we lopen samen door. Soms staat ‘ie even stil, gewoon, één of twee minuten. Net of hij aangeven wil dat we niet zo snel hoeven te gaan, we even mogen vertragen en om ons heen mogen kijken naar al het schoon om ons heen. Hier in dit bos waar geen haast is, geen druk om van de ene afspraak naar de andere te gaan, geen verwachtingen aanwezig zijn om te moeten presteren. Nee, gewoon hij en ik, hier in dit bos in alle rust.
En als we na een klein uurtje onze loopronde ten einde brengen, besef ik mij ineens dat ik er een maatje bij heb. Eén die niet oordeelt en wie het om het even is wie er achter, voor of naast hem loopt. En terwijl ik weet dat hij dit mogelijk bij ieder ander willekeurige persoon ook zal doen, laat ik mezelf in de waan door te denken dat wij een connectie hebben, elke keer als wij samen lopen. Hij en ik.