Categorieën
Non-fictie

Het raadsel van het vertrek

Met een gammel propellervliegtuigje land ik in Dodoma, de officiële hoofdstad van Tanzania en de plek waar ik komende maanden in een ziekenhuis zal werken. Op een paar Tanzaniaanse parlementsleden na is het vliegtuig leeg. Het Afrikaanse land is vlak en groen, onder het gras is de rode aarde zichtbaar. In de schaduw van een boom zitten enkele mannen te backgammonnen.

In een beginnende schemering neem ik een taxi naar mijn nieuwe huis. We halen mannen in met sjaals om hun hoofd gewikkeld die karren vol zand voor zich uit duwen. Bananen, pinda’s en rokende maïskolven worden aan de man gebracht, krantenverkopers proberen van hun laatste exemplaren af te komen, fietsenmakers onder bananenbomen plakken nog een band. Masai mannen in rood geblokte doeken tillen hun koopwaar op hun hoofd terug naar huis. Overvolle busjes halen ons toeterend in. Blikken staren naar buiten. Een vrachtwagen vol koeien rijdt naast ons. We passeren een rotonde waarop een groot tv-scherm staat te flikkeren. “Timesquare of East Africa,” zegt de chauffeur trots. Het scherm laat spannende dames in een zwembad zien met flesjes Coca-Cola. Het beeld springt op koraalriffen voor de kunst van Zanzibar. ‘Visit Zanzibar’, meldt de tekst.

In het donker aankomen in een nieuw land is een vreemde ervaring. Het raadsel van de aankomst, noemde V. S. Naipaul het in zijn beroemde boek. Als voorbijganger snap je de codes van een nieuw land nog niet. ‘s Nachts stijgen de geluiden van blaffende honden, huilende kinderen en andere klanken op die ik niet kan plaatsen. Vroeg in de ochtend word ik gewekt door een zingende muezzin vanuit een minaret. Ik weet niet of ik geslapen heb. Ik heb heimwee.

De eerste week werk ik op de afdeling Interne Geneeskunde, in ward 4. Ward 4 is een barak met twintig verroeste bedden. Enkel mannen mogen op deze afdeling liggen. Klamboes hangen ongebruikt boven de bedden. Kakkerlakken lopen over de muur, vliegen nestelen zich in open wonden. Patiënten liggen kreunend in bed, familieleden hebben zich op het matras geïnstalleerd. Ze wachten tot de dokter komt en voeren de zieke bonensoep. De patiënten in dit barak zijn doodziek. In Nederland zouden ze beademd worden op de Intensive Care, maar hier breekt nood de wet. De zieken lijken zich in het vagevuur te bevinden: nog met een been hier en een been in het hiernamaals. Ze worden geteisterd door bacteriën die de kop opsteken bij een HIV-besmetting en lijden aan ernstige longinfecties of hersenvliesontstekingen. Rehema, een stevige dame met bijpassend karakter, is een van de coassistenten op de afdeling. Ze doet haar taken nauwkeurig en werkt hard. Hoewel ze in hetzelfde studiejaar als ik zit, bezit Rehema veel meer praktische vaardigheden. Ze prikt zelfstandig lumbaalpuncties, schrijft medicijnen voor en houdt de statusvoering bij. Ik sta er schaapachtig naast. Ze laat mij zakken bloed halen voor bloedende patiënten. Ik krijg op een papiertje de bloedgroep mee en sjok door de hitte bevangen naar het laboratorium. Helaas vertelt de laborante dat ze de laatste zak bloed zojuist hebben vergeven aan een ander. Na even aandringen weet ze toch uit een verre hoek een andere zak vandaan te toveren. Trots loop ik met de zak bloed onder mijn arm terug naar de ward en laat ik mijn aanwinst aan Rehema zie, op zoek naar het gevoel dat ik hier iets kan bijdragen.

Op bed 8 ligt een patiënt waar ik mijn ogen niet van af kan houden. Een dertigjarige man met uitstekende botten staart roerloos naar het plafond. Zijn ogen zijn rood doorlopen en zijn rechterschouder ligt in een onnatuurlijke positie. Hij oogt levenloos, maar mijn vingers op zijn pols vertellen me dat hij nog leeft. Zijn rechterenkel ligt geboeid aan het stalen bedframe. In zijn papieren dossier lees ik zijn naam: Ezra. Na een ongeluk in de gevangenis is hij verlamd geraakt. Wat er precies gebeurd is, wil een verveelde bewaker in uniform vol speldjes die naast zijn bed staat, niet vertellen. Hij kijkt me intimiderend aan. Een Kalasjnikov bungelt over zijn schouder. De verlamde gevangene kan hem niets schelen.

Elke dag raakt het weerzien van Ezra mij. Zijn hulpeloosheid en zielloze oogopslag bezorgen me kippenvel. Op een middag zit ik weer van een afstandje naar hem te kijken. Drie zusters in opleiding proberen een katheter zijn geslachtsdeel in te brengen. Als het nummer een niet lukt, mag nummer twee het proberen, dan nummer drie. Zijn lijf wordt heen en weer gesjord. Na langer kijken zie ik zijn borstkas niet op en neer bewegen en kom ik naast hem staan. Geen polsslag te voelen. Ik leg mijn stethoscoop op zijn magere borstkas. Een holle stilte op de plek waar zijn hart hoort te kloppen. De meisjes kijken me aan. “Dead?” Ik druk met mijn duim op zijn oogbol, waar de druk verdwenen is. Dood. Niemand kijkt ervan op. Een paar bedden naast Ezra gaan de dokters en studenten ongestoord door met hun ochtendvisite. Alleen de verveelde bewaker lijkt zich te bekommeren om de dood van zijn gevangene. Nu heeft hij geen reden meer om hier te zijn. We plaatsen een scherm om het bed en wikkelen de dode in zijn lakens. Een half uur later komen twee jolige mortuarium-medewerkers een rammelende kist op wieltjes binnenrijden. Ze schuiven het lijk in de kist, geven wat high fives aan hun collega’s en rijden lachend de kist weer de afdeling af. Tien minuten later heeft de volgende patiënt zijn plek ingenomen.

Ik werk ook een paar weken op de Obstetrie. Deze afdeling krioelt van leven: hoogzwangere vrouwen waggelen af en aan de met stapels doeken onder hun armen, familieleden wachten buiten in de schaduw op nieuws, dokters in wapperende witte jassen lopen heen en weer tussen het gebouw en de kantine ertegenover. Het ruikt er naar vruchtwater. Als je het operatiecomplex wilt betreden, moet je kaplaarzen vol opgedroogd bloed en een linnen groene jurk tot de enkels aan. Buiten de afdeling hangen gewassen operatiejassen in de zon te drogen. Een zwangere vrouw ligt kermend te wachten tot de gynaecoloog een keizersnede bij haar komt doen, maar deze maakt nog geen aanstalten. Hij ligt in de koffiekamer op een bed met drie vrouwelijke operatieassistenten te flirten. Hij geeft ze beurtelings een tik op hun billen en de dames kirren. Ze draaien rapmuziek, maken luide grappen en schieten selfies. Ik kijk naar de wachtende patiënte: de moeder lijkt uit te putten, misschien put de foetus ook langzaam uit. Moet ik de gynaecoloog helpen herinneren dat hij de operatie moet starten? Weer begrijp ik de mores van dit land niet.

Na een kwartier sjokt de anesthesist binnen. Hij draagt een muziek box op zijn schouder en een bekende Tanzaniaanse rapper klinkt uit de boxen. Zonder een hand aan de vrouw te geven, gebaart hij haar de rug bol te maken en haar neus op haar knieën te plaatsen. Hij tast met zijn linkerhand haar wervelkolom af en prikt een dikke naald tussen haar ruggenwervels. De zwangere verkrimpt. Ik sta tegen de muur en het zweet breekt me uit. Maar wonderbaarlijk glijdt de naald na een paar keer porren de epidurale ruimte in en druipt er een druppel hersenvocht uit. De anesthesist schreeuwt dat de gynaecoloog zich mag komen melden, en zo maakt deze eindelijk aanstalten zich te wassen. Per toeval lijkt de keizersnede goed te gaan en komt een nieuw kind ter wereld.

Maar later blijkt toeval niet het goede woord. Dagelijks worden er tientallen succesvolle keizersnede verricht, dag en nacht leveren gepassioneerde dokters en assistenten de beste zorg die ze kunnen bieden. Ondervoede kinderen verlaten na een paar weken het ziekenhuis met een volle toet. Elke dag rijden verpleegkundigen naar het platteland om kinderen te vaccineren. Het aantal gevaccineerde kinderen in Tanzania ligt inmiddels hoger dan in Nederland. Dat komt niet alleen door onze bakfietsmoeders, maar ook omdat de zorg hier in Tanzania gestructureerd is opgezet.

De eerste weken dacht ik dat ik kwam om de Tanzanianen iets te leren over betere zorg. Ik was ziende blind. Ik bewonder nu de Tanzaniaanse zorg, de manier hoe ze met weinig middelen veel levens redden en op basis van hun klinische blik diagnoses stellen. In essentie doen dokters wereldwijd hetzelfde. We vechten tegen de vergankelijkheid van het leven, ieder op zijn eigen manier.
Nu weet ik niet meer wie het meest van de ander kan leren: het raadsel van het vertrek.