Categorieën
Non-fictie

Het geschenk

Het was oorverdovend stil in de kleine donkere huiskamer. Mijn broer speelde met een bierviltje. Mijn zussen hadden zich aan de ronde tafel gezet bij mijn vader die zojuist weduwnaar was geworden. Half van hem afgekeerd zaten ze daar ongemakkelijk te wachten op meneer pastoor die zo meteen de uitvaart kwam doorspreken.
De bel ging. Mijn vrouw en ik stonden gelijktijdig op en liepen naar het halletje om de verwachte gast binnen te laten. Handen werden geschud. Daarna nam hij plaats op de stoel waar mijn moeder altijd zat.
Ik liet de deur naar het halletje open voor wat extra lucht en ruimte. Normaal zou dat niet mogen in verband met de hoge stookkosten, maar dit was een uitzonderlijke situatie.
‘Zo Marius’, sprak de pastoor mijn vader aan. Hij kwam er regelmatig en kreeg na afloop altijd de aangebroken wijnfles mee. Die werd dankbaar aanvaard en zorgvuldig in de fietstas geplaatst. ‘Vandaag gaan we Wiesjes afscheidsdienst voorbereiden’.
‘Tja, er zit niks anders op’, antwoordde Marius terwijl hij een grote slok nam uit het limonadeglas dat tot de rand gevuld was met jenever.
Mijn vrouw vroeg of de pastoor koffie bliefde. Hij had – gezien het late middaguur – meer zin in wijn.
Vragend keek ik Marius aan. Die gebaarde met zijn hoofd naar de kelderkast in de gang.
Na het eerste glas haalde de pastoor een verfrommeld boekje uit zijn binnenzak. Met de pen uit zijn borstzakje in de aanslag, stak hij van wal. Iedereen was blij dat de man er was en zijn werk deed, dat was duidelijk.
‘We zullen er een mooie katholieke dienst van maken’, beloofde de pastoor.
Het maakt me niks uit, doe maar wat’, antwoordde mijn vader boos. Hij leunde voorover en staarde naar het tafelkleed.
‘Als Wiesje wordt binnengebracht in de kerk gaat iedereen staan en zingt het koor’, vervolgde de pastoor. Het was een oude man die in leeftijd Marius zeker twintig jaar oversteeg, maar qua vitaliteit zeker twintig jaar jonger was dan mijn vader. Eigenlijk was mijn vader nooit jong geweest.
Pastoor Vogel begon nu zacht te zingen ‘Subveniti Sancti Dei’.
‘Occuriti angeli Domini’, viel mijn vrouw hem bij. Tweestemmig klonk het mooi. Ze kan goed zingen en ervaart aan de Gregoriaanse liturgie nog altijd iets devoots hoewel ze zich jaren geleden liet uitschrijven uit de Katholieke Kerk door het misplaatste gedoe over homo’s.
‘Komt haar tegemoet gij heiligen van God, gij, Engelen van de Heer’, reciteerde Vogel terwijl hij mijn vrouw in vervoering aankeek. Het was fijn dat er ten minste één zielsverwant was die nog wist waarover het ging.
‘Na de wijding van de kist en het gebed zingen we ‘Heer, ontferm u over ons’’, vervolgde Vogel.
‘Het maakt me niks uit, doe maar wat’, bromde mijn vader voor zich uit.
‘Bij de lezing van het Evangelie gaat iedereen staan. Ik denk er over om daar iets van Koningen aan toe te voegen. De Hemelvaart van Elia. Omdat Wiesje zo van dieren hield’.
‘Het interesseert me niks, doe maar wat’, grauwde Marius.
‘Marius, ik kende Wiesje natuurlijk, maar is er iets dat je zelf nog wilt toevoegen? Wat wil je dat ik zeg in het persoonlijke woord dat ik tot de aanwezigen zal richten?’, vroeg Vogel onverstoorbaar. Ik bewonderde het doorzettingsvermogen van de man.
‘Het interesseert me niks, doe maar wat’, herhaalde mijn vader tegen het tafelkleed.
Nu richtte de pastoor zich tot de kinderen. Hij wilde van ons weten wat voor moeder ze was geweest. Een pijnlijke stilte viel hem ten deel.
Ineens zat Marius rechtop en nam het woord. ‘Ze sloeg niet hard genoeg’, zei hij.
‘Eh… ze sloeg niet hard genoeg….?’, herhaalde de pastoor aarzelend alsof hij twijfelde aan wat hij zojuist had gehoord. Onderwijl friemelde hij nerveus aan de knoop van zijn grijze stropdas.
‘Ja, ze sloeg niet hard genoeg. Als mijn vrouw sloeg dan deed ze d’r handen pijn, maar ik zorgde wel dat ik geen zere handen kreeg van die smerige rotjong’.
‘Daar was u nu voor in de gevangenis gekomen’, beet mijn oudste zuster hem toe zonder hem aan te kijken.
‘Belachelijk!’. Marius verhief zijn stem. ‘Je mag tegenwoordig niet eens meer een corrigerende tik geven!’. Zijn ogen spoten vuur.
Niemand zei nog iets. Ik keek met grote ogen naar mijn oudste zuster. Jaren geleden hadden we het er over gehad. Ze zei dat ik alles verzon. Dat het niet waar was. Dat ik die dingen in mijn hoofd haalde omdat ik een ruziezoeker ben. En nu lag het ineens op tafel, het geheim dat er niet mocht zijn. Mijn hart bonsde nu zo hard dat iedereen het zou kunnen horen. Mijn vrouw pakte mijn hand en hield die stevig vast.
‘Sursum Corda’, hernam Vogel zich, ‘Verheft uw hart’.
‘Habemus ad Dominum’, antwoordde mijn vrouw vol overgave, ‘wij zijn met ons hart bij de Heer’.
De pastoor was zichtbaar opgelucht met de bijval.
Mijn vader trok zich terug in de fauteuil bij de televisie met een nieuw gevuld glas.
Mijn broer verborg zich achter ‘mijnenvegertje’ op zijn GSM en mijn zussen rookten hun sigaretten in de keuken onder de afzuigkap, omdat moeder er anders misschien last van zou hebben.
Mijn vrouw en ik namen plaats naast de pastoor aan tafel en hoewel ik al jaren geen kerk van binnen had gezien zong ik nu vol overtuiging mee met Agnus Dei en In Paradisum deductant te Angeli.
Toen de pastoor vertrok diende de uitvaartondernemer zich aan. Een levenloze doodgraver met sleetse grappen waar iedereen om lachte behalve mijn vrouw en ik.
Aan het eind van de middag was alles eindelijk geregeld. Mijn zussen vonden het echter zielig als mijn vader alleen zou blijven. Zodoende besloten we gezamenlijk te eten. Maar iedereen moest nog wel even naar huis om wat te doen. Dat kon gemakkelijk want ze woonden allemaal om de hoek. Alleen wij woonden ver weg in de grote stad, waar volgens Marius alleen maar rottigheid gebeurde.
Mijn vrouw ging de hond uitlaten nadat ze me drie keer had gevraagd of ik wel echt alleen met hem kon zijn. Haar bezorgdheid wimpelde ik weg. De sla moest gemaakt en met een half uur zou iedereen alweer terug zijn met de friet.
Amper had ik mezelf een glas wijn ingeschonken of mijn vader kwam de keuken in gelopen. Hij zag er wazig en verward uit. Hoewel op mijn hoede voelde ik geen angst. Eén duw en hij lag onderuit.
Hij rommelde wat in een lade. En plotseling ontstond uit het niets een tirade die waarschijnlijk al die tijd al in zijn hoofd had rondgewaard. Opnieuw probeerde hij zoals zo vaak al was gebeurd, ten koste van mijn oudste zuster zijn gelijk te halen. Het me dwingend op te leggen.
Gewoontegetrouw startte zijn betoog met een lange grove vloek. ‘Wat denkt die trut wel?! Je mag tegenwoordig niet eens meer een corrigerende tik uitdelen!’.
‘Pa het was geen corrigerende tik, het was mishandeling’. Ik schrok van mijn eigen directheid. Hij keek me aan met zijn verwaterde groenblauwe ogen.
‘Ja, het was mishandeling’, herhaalde ik zacht maar duidelijk terwijl ik hem gadesloeg. Zijn gezicht zag er verweerd uit. Het was knalrood van te lang teveel drank en woede. Achter die muur van boosheid ging ongetwijfeld een immens verdriet schuil van de jongen die hij nooit had mogen zijn en de man tot wie hij nooit had kunnen uitgroeien.
Hij schonk zichzelf nog een glas in, nam een slok en vulde gelijk bij.
‘Ik móest jullie wel zo hard slaan omdat jullie je zo schandelijk misdroegen!’. Hij riep het ergens in de lucht. Het klonk wanhopig en hij was er van overtuigd dat het zo was. Hij was het slachtoffer van de hele situatie en niemand anders.
Het had geen zin om een gesprek te voeren over wat er ooit gebeurd was. Het was ook niet nodig. Ooit had ik de moed: niet om te beschuldigen maar om me er over uit te spreken. Ik wist toen wat de prijs was en het bracht me de vrijheid waarnaar mijn ziel zo innig hunkerde.
Tegenover me stond een kersverse weduwnaar die verdronk in eenzaamheid nu zijn immer loyale steun en toeverlaat er niet meer was. Ik keek naar hem. Die oude handen. Waren dat de handen die ons zoveel en vaak hadden geslagen en gedreigd? Een volwassen woedende man die kleine kindjes aftuigt op bed met een pook. Die ons opsloot na een pak slaag, in de donkere gewelfkelder onder het huis? Wie gedroeg zich hier schandelijk?
Ik deed er het zwijgen toe, net als hij.
We aten friet en dronken wijn en mijn vader jenever. Over vijf dagen zou mijn moeder begraven worden. Op de terugweg naar huis die avond vertelde ik mijn vrouw wat er was gebeurd. Ze luisterde aandachtig en zei toen: ‘Dus hij heeft het toegegeven. Hij erkende dat hij jullie mishandelde. Een mooier geschenk kun je niet krijgen lijkt me’.
Ik houd van mijn vrouw. Wat een zegen is zij voor de mensheid. En mijn vader wist dat ook: hij was dol op haar.