Categorieën
Non-fictie

Het Einde Is Nu

Kerkhoven zijn toch mooi begin november, hoor je soms, eindelijk kleur waar het anders zo grauw is. Mensen stouwen elk graf vol met purperen, goudgele of witte chrysanten, maar dat er op die manier nog meer dood en verrotting is, daar denken ze niet aan.
Een bloem heeft voor mij iets betoverends, het is de uiting van totale perfectie. En ja, ik wil duizend bloemstukken op mijn vaders restanten gaan leggen, elke dag van het jaar zelfs, als dat me de macht zou geven om nieuw leven te scheppen in de doodse ondergrond, de kracht van de natuur te reproduceren en aldus de cyclus van wedergeboorte in de lente te stimuleren.
Maar hij blijft dood.
Altijd en overal dood.

Ik doe wel mee in het spel van bloemen-zijn-noodzakelijk-op-een-graf-op-Allerheiligen, maar enkel omwille van mijn moeder. Omdat zij mijn onmacht en eigenzinnige kijk niet zou begrijpen. Voor haar is traditie van levensbelang. Voor haar zijn bloemen op een novembergraf het ultieme bewijs van liefde. Ik kan haar niet nog extra verdriet aandoen, maar als het van mij afhangt, hoeft er geen enkel kwetsbaar bloemstuk meer te vechten voor levensbehoud op een doodse ondergrond. Bij mij krijgt zo’n rond bossig kussen vol bonte herfsttinten zijn plaats op mijn buitenterras, waar hij een beschut en lang leven beschoren is in een pot vol levenschenkende aarde.

Een laagje rijp ligt teder over de zijdeachtige blaadjes van mijn chrysanten deze ochtend. Ik begiet mijn terraspotten met een weinig water en blijf nog even staan in de koelte van het ochtendgloren. Twee lage mistbanken liggen op de nog bevroren velden, maar ondanks de schoonheid van de natuur voel ik een rilling over mijn rug lopen. Het komt doordat ik moet denken aan de zorgeloosheid van zovelen, die maar wat blij zijn met deze vrije dag.
Ik hoor mijn telefoon en weet meteen dat dat mijn moeder is.
Wie anders belt me op zo’n feestdag?
Ik haast me naar binnen en neem op.
‘Dag mama, hoe gaat het?’
‘Aniana, je moet meteen komen,’ zegt een andere stem. ‘Er is iets gebeurd. Ik weet niet wat precies. Ik ben hier net aangekomen. Kun je zo snel mogelijk komen?’
De geagiteerde thuiszorgster vertelt dat van de ene op de andere dag een groot gat in het plafond van mijn moeders slaapkamer geslagen is, dat mijn moeder schaafwonden op armen en benen heeft, dat ze vanmorgen de deur niet zelf opendeed en dat ze haar nog slapend in haar bed vonden, op drie meter van die opening boven haar hoofd.
Ik begrijp totaal niets van wat ze me vertelt en besef nog minder wat er zich in de voorbije uren heeft afgespeeld.
‘Als mijn moeder nog rustig lag te slapen, zal er wel niets ernstigs gebeurd zijn,’ zeg ik zo kalm mogelijk. ‘Ik kom eraan. Geef me een uurtje.’
Tot zover mijn plan om deze Allerzielen enkel en alleen met mezelf door te brengen. Ik trek de eerste de beste kleren aan die ik in mijn kast vind om zo weinig mogelijk tijd te verliezen. De verpleegster had gezegd dat ze haar ronde zou staken om bij mijn moeder op me te wachten. Ik bel mijn zus, maar die is al onderweg.
Ik zie haar net de voordeur achter zich dichttrekken wanneer ik onder de nog nauwelijks kalende eikenbomen parkeer. Een herinnering aan die derde januari overvalt me. Dit is niet echt, zeg ik tegen mezelf, dit is niets anders dan pure angst. Alles in mij voelt echter alsof wij voor een tweede keer in ons leven in dit huis voor een einde staan.
Mijn moeder zit in haar stoel en kijkt me wazig aan. In de ogen van mijn zus zie ik hoe de zaken er werkelijk voor staan.
‘We begrijpen niet wat er gebeurd kan zijn,’ zeggen mijn zus en de verpleegster in koor. ‘We kunnen maar niet bedenken waar dat gat in het plafond vandaan komt.’
Een tel later sta ik oog in oog met de zwarte opening naar de zolder. Ik ben sprakeloos. In gedachten zie ik mijn moeder weerloos spartelen, bedwelmd, in wanhoop onder het juk van haar zwartste angsten, bezeten op zoek naar het leven vóór haar grote liefde de zolder opzocht.
‘Wat denk je, zus? Begrijp jij het?’ vraagt Lien.
De bron waaruit ik al vijftien jaar lang kracht put om mijn eigen leed te overstijgen en ervoor te zorgen dat ik in leven blijf, redt me opnieuw.
‘Ik denk dat mama haar zolder opgeklommen is,’ antwoord ik vanuit de ijle dimensie waarin ik me bevind, ‘misschien wel in de overtuiging dat haar slaapkamer boven is, waarna ze door het plafond gevallen moet zijn.’
‘Zoiets kan toch niet,’ zegt de verpleegster, ‘iemand valt toch niet zomaar door een plafond. In zo’n mooi huis? Het is niet dat Monique in een vervallen krot woont.’
‘Ik kan me ook alleen maar baseren op de feiten,’ zeg ik. ‘Iets anders kan het niet zijn. Dat weet jij zelf ook. Zie je mijn moeder met een hamer in de hand een gat slaan in haar plafond misschien?’
‘Maar… maar… de ladder naar boven staat in de garage en ze kan toch niet over de volle lengte van het huis tot hierboven gekropen zijn?’
‘Ik had het verdomme ook anders gewild!’ brul ik.

Ik begrijp ook niet hoe hij die winterse namiddag in januari de wankele ladder in de garage bestegen heeft om achtereenvolgens een zwart strokoord in de nok van de zolder te knopen en zich daaraan op te hangen.
Ik begrijp al evenmin hoe zij die opgeklommen is, de ladder waartegen ze haar grote en enige liefde hangend heeft gevonden en hoe zij drieëntwintig meter ver over blootliggende steunbalken geklauterd is met spieren die op normale grond nauwelijks nog standhouden, of hoe ze op het einde van haar zoektocht naar vervlogen tijden de diepte in viel.
‘Ja, zus, je zal wel gelijk hebben,’ zegt Lien. ‘Mama zal in de waan geweest zijn dat ze nog in haar ouderlijk woonde, daar moest ze een trap op naar haar slaapkamer,’ zegt mijn zus en ik denk: oef, ik mag de ware feiten voor mezelf houden.
‘Maar? Maar? Zou er dan een slecht stuk in het plafond gezeten hebben?’ vraagt de verpleegster, meer begaan met de ruïne van steen dan die van de menselijke geest.
‘Dat kunnen wij toch niet weten!’ zeg ik. ‘Ik zie ook voor het eerst dat dit plafond van gipsplaat is gemaakt.’
‘Welja, het zal dan wel zo zijn,’ mompelt de verpleegster, ‘Monique lag vanmorgen in bed met dezelfde kleren als gisterenavond. Ze zal zich dus niet meer omgekleed hebben. Maar hoe zou ze dan in haar bed terechtgekomen zijn? Na zo’n val moet ze toch totaal overstuur zijn geweest?’
‘Potverdorie! Ik heb soms echt het gevoel dat wij twee hier de enigen zijn die werkelijk weten hoe dementie in mekaar zit!’ zeg ik woest. ‘Ze is constant overstuur! Voor, tijdens of na de val zal dat echt geen splinter verschil uitmaken!’
‘We mogen ons tevreden prijzen dat mama er zo goed van af gekomen is,’ zegt Lien en ik denk: zij wil in eerste instantie de rust terugbrengen. Ik zucht en herpak me. Kon ik maar de woede uit mijn hart naar beneden duwen, denk ik, ook recht de diepte in.
‘Zouden we de dokter niet waarschuwen?’ vraagt de verpleegster en daarmee keert ons gesprek zich onherroepelijk in de richting van ons tweede einde. Mijn ziel weet het vervolg al.
‘Natuurlijk,’ zegt mijn zus, waarop de verpleegster de duivelse eindknop induwt:
‘Het is noodzakelijk, Aniana en Lien, jullie merken het ook. Wat vannacht gebeurd is, mag zich niet nog een keer herhalen. Ik vind dat jullie moeder niet langer alleen in haar huis mag blijven.’

En met dat gegeven kunnen wij geen kant meer uit.
Het einde heeft zijn beginpunt gehaald.