Categorieën
Non-fictie

Het Ei

Ik heb twee moeders. Welke is de echte? De ene, Jantina, gelooft dat alles van boven wordt bestuurd. De andere, Mieke, stuurt liever zelf. Ze kan niet overweg met navigatiesystemen, heeft doorgaans een wegenkaart uitgeklapt op de bijrijdersstoel waar ik nu zit. Deze trip was mijn idee, maar zij raakt er onderweg niet over uitgekletst en mist daardoor de afslag.
Dan rijden we maar om. Haar bestelbus dendert over de binnenwegen van de Veluwe. De weilandjes geel en drassig in de novemberzon, de bossen kaal en verbeten. Ik ben hier opgegroeid, zij is er vreemd. Ik zoek alsnog het adres op mijn telefoon. Over zes kilometer linksaf, zegt Google. Bestemming bereikt.
Henk en Ineke blijken iets ouder dan Mieke, maar net zo vitaal. Ineke draagt haar lange, witte haar in twee staartjes. Ze leunt achterover in haar grote stoel en kijkt me vorsend aan. Ik vertel over mijzelf. Hoe het verder ging. Toch nog redelijk terecht gekomen. Mijn stem wordt soms schor als het daarover gaat. Een ei gevuld met slijm en snot, dat oprispt bij moeilijke vragen. Maar dat zijn toch niet je échte ouders? Maar waar kom je dan écht vandaan? Nou, van hier dus kennelijk. Bij deze mensen ben ik uitgebroed. En verwachten ze nu een bedankje? Nee, die indruk krijg ik niet.
Het is zondag en er waait meer visite aan. Een pleegzoon van in de dertig, een dochter van in de veertig, twee studerende kleinkinderen. ‘Maar het begon allemaal met die meisjes’, zegt Ineke, ‘gevallen meisjes noemden ze die toen nog.’
‘De bekrompenheid was hardnekkig’, reageert Mieke naast me op de bank, ‘ook al was alles aan het verschuiven.’ Zij en Ineke zouden zussen kunnen zijn, oude meisjes met kapsels en de bakelieten mentaliteit van midden jaren zestig. Samen de schouders eronder. Kusje erop en verder. Mieke heeft vaker verteld over haar zwangerschap, maar dat leek nooit over mij te gaan. Daarom zijn we hier. Om er mijn verhaal van te maken. Of, nog beter, ons verhaal.
Ze laat Henk foto’s zien van haar man Achmed. Die had vanuit Afrika destijds een studiebeurs gekregen van de Europese Gemeenschap. Hij deed een cursus Nederlands aan de Volkshogeschool in Bergen. Mieke’s moeder zat in het schoolbestuur en was wethouder van het Noord-Hollandse dorp. Haar vader zette zich in voor de Groot-Nederlandse gedachte en steunde taalgenoten in Vlaanderen en Zuid-Afrika. Sinds een reis naar de Kaap was hij voorstander van de apartheid. Prima dat Afrikanen zich in hun eigen tempo ontwikkelden en dat zijn tienerdochter ze hielp met Nederlandse les. Maar toen Mieke zwanger raakte, was het huis te klein.
Achmed studeerde toen al economie en Mieke was begonnen aan de Sociale Academie in Amsterdam. Toen ze achter het ongelukje kwam, was ze al maanden heen. Haar vader eiste dat ze de verkering verbrak. Haar moeder vreesde voor haar positie als notabele. Achmeds familie in Somalië zou het al helemaal niet accepteren, een bastaardkind bij een niet-moslim vrouw. ’We hebben nog overwogen snel te trouwen’, vertelt Mieke, ’een zogenaamd moetje. Maar dan zou Achmed zijn beurs en verblijfsvergunning kwijtraken. En ik wilde mijn studie niet afbreken om het kind in mijn eentje op te voeden.’
Het was voorjaar 1966. Onder haar truitje tekende het ei zich al af. Abortus was nog verboden, maar adoptie was sinds kort bij wet geregeld. Ik moest in het geheim uitgedragen worden, niet bij haar ouders en ook niet bij haar hospita. Via maatschappelijk werk dook ze onder bij een gastgezin in Harderwijk. ‘Ik was zelf moeder en wilde daarnaast wat nuttigs doen’, vertelt Ineke, ‘we hebben die jaren heel veel ongewenst zwangere meisjes in huis gehad.’
‘Je zat maar boven op je kamer te studeren’, weet Henk nog, ‘Het was een warme zomer, maar jij wilde je hertentamens halen.’
Mieke stopt de fotoplakboeken weer in haar tas. ‘Misschien dat een of twee vriendinnen op de hoogte waren en op bezoek kwamen. Maar een beetje eenzaam was het wel.’
Ondertussen zette Provo dat jaar Amsterdam op stelten en verstoorden rookbommen het huwelijk van Beatrix en Claus. De babyboomers werden volwassen en alles zou veranderen. ‘Ik studeerde voor opbouwwerk’, zegt Mieke, ‘maar nu voelde ik me zelf een probleemgeval. Ook hoogzwanger kreeg ik nog geen moedergevoelens. Adoptie leek me het beste voor het kind.’
Ze heeft haar verhaal ook verteld aan een commissie die in opdracht van de minister momenteel onderzoek doet naar Nederlandse afstandsmoeders. Sommige vrouwen voelden zich onder druk gezet door hulpverleners: Ze moesten en zouden hun kind afstaan. ‘In mijn geval was er geen dwang’, vindt Mieke, ‘het was op dat moment mijn eigen keuze.’
Ook Henk en Ineke hebben nooit iets van overheidsdwang gemerkt. ‘De meisjes deden het meestal voor hun ouders’, vertelt Ineke, ‘om een schandaal te voorkomen. Ik herinner me een tienermeisje dat het eigenlijk vreselijk vond. Na de bevalling bleek dat haar moeder het kind ook liever wilde houden. Vertelt u dat aan uw dochter, zei ik, want zij denkt dat ú wilt dat zij het afstaat. Toen is de adoptie afgeblazen. Ook met die familie hebben we nog altijd contact.’
We zitten inmiddels met een man of acht aan de lunchtafel. Eten genoeg voor alle gasten, net als toen. Want via Mieke’s navelstreng hebben Henk en Ineke mij maandenlang gevoed. Had ik liever gehad dat mijn afstandsmoeder hongerig was geweest, kansarm of verslaafd? Dat ik was verwekt tijdens een one night stand of een verkrachting? Of weggehaald uit een ontwikkelingsland? Mieke had mij kunnen houden. Maar had een meisje van negentien in die tijd een andere keuze, zonder steun van familie of overheid?

Eind augustus was Mieke uitgerekend en in september begon haar nieuwe schooljaar. Op doktersadvies slikte ze wonderolie om de weeën op te wekken. De bevalling kwam op tijd. Ik verliet haar moederschoot zonder complicaties en zonder afscheid. Zij heeft mij horen huilen maar niet willen zien. ‘Ik had mijn bril niet op in bed’, legt Mieke uit, ’ik heb je ook niet vast willen houden. Dan zou ik er later misschien spijt van krijgen. Nu bleef je wazig, abstract.’ Ineke herinnert zich nog het blauwe dekentje waarmee ik na de bevalling snel werd ingepakt en afgevoerd. ‘Voor mij was het daarmee klaar’, zegt Mieke, ‘ik ging er vanuit dat je direct naar een adoptiegezin zou gaan.’
Met de navelstreng was, volgens het beleid uit die tijd, elke band tussen afstandsmoeder en kind doorgeknipt. Na een vonnis van de rechter werd ik zoon van Berend en Jantina de Vries uit Voorburg. Later verhuisde het gezin met inmiddels vier adoptiekinderen naar de Veluwe.
Toen ik 17 was keken we met zijn allen naar een geruchtmakende documentaire op TV. De camera volgde de eerste – inmiddels volwassen – geadopteerden in hun zoektocht naar hun biologische ouders. Ze wilden antwoorden, maar kregen geen medewerking van de instanties. In Bergen keek Mieke naar hetzelfde TV-programma. Ze was inmiddels getrouwd met Achmed en ze hadden nog twee kinderen gekregen. ‘Ik achterhaalde het adres en heb je ouders toen een brief geschreven. Dat we openstonden voor contact wilden, als jij dat wilde.’
Jantina polste voorzichtig, maar ik wuifde het weg. Mijn biologische ouders hadden mij weggegeven, dus ik zat ook niet op hen te wachten. Ik had wel wat anders aan mijn hoofd: studeren, op kamers. Zoals Mieke het moederschap voor zich uitschoof, zo schoof ik dat broze ei voor mij uit.
Na mijn studie ging ik werken en kreeg steeds vaker lastige vragen van collega’s of op feestjes. En ben je al op zoek naar je échte ouders? Naar je roots? ‘Spoorloos’ was toen al jaren een populaire tranentrekker op TV.
Toch wachtte ik tot mijn 34e voor ik mijn geboorteacte opvroeg bij het bevolkingsregister van Harderwijk. Bij mijn eerste ontmoeting met Mieke en Achmed vielen we elkaar niet – zoals op TV – snikkend in de armen. Maar het klikte wel en we zijn nu al twintig jaar goede familie.
We nemen afscheid van Henk en Ineke en rijden verder naar Jantina, mijn echte moeder, beaamt Mieke. Op tafel ligt een ordner met oude adoptiepapieren die Jantina heeft bewaard. Ik blijk ruim een half jaar in een Amsterdams kindertehuis op adoptie te hebben gewacht. ‘Wij hoorden pas een week van tevoren dat we waren uitgekozen’, vertelt Jantina, ‘we voldeden aan de voorkeur die de afstandsmoeder had opgegeven. We kregen een pasfoto te zien. Diezelfde week mochten we je ophalen.’
Ik bekijk de foto. Hoeveel wensouders op de wachtlijst hebben nee gezegd tegen mijn beteuterde puppyblik? We kijken toch even verder. Hebt u ook een andere kleur? Gelukkig ben ik in een goed gezin terecht gekomen. Gods leiding, vindt Jantina. ‘Wij hadden de naam Marco in gedachten, en diezelfde naam had je al gekregen van je afstandsmoeder. Dat kan toch geen toeval zijn?’
Op de weg terug laat ik alles op me inwerken. Het had allemaal anders kunnen gaan, maar zo is het gelopen. Toeval of niet, ik heb geluk gehad. Geluk met twee moeders. Ik ben uitgekomen en de scherven van de schaal vormen samen dit verhaal.