Categorieën
Non-fictie

Hartfalen

Als na acht dagen mijn kunstmatig in slaap gehouden lichaam zachtjes ontwaakt in een hightech ziekenhuisbed, ontsnapt ook mijn geest aan het zwarte gat waar het na mijn hartstilstand in is gezogen. Mijn lijf is netjes achtergebleven op de IC van het OLVG aan de rand van het Amsterdamse Oosterpark terwijl mijn geest zich staande moest houden in een onheilspellend uitspansel. Bij aankomst in het ziekenhuis, waar ik met gillende sirene, want in ernstige ademnood, naar toe was gereden, werd alles zwart. Acht dagen lang lag mijn lijf in een glimmend ziekenhuisbed en zat mijn geest opgesloten in een delier als gevolg van zwaar lichamelijk trauma. In mijn geval een hartstilstand. Ik was in het OLVG terecht gekomen omdat mijn vrouw 112 had gebeld nadat ze me aan de bovendorpel van de openslaande tuindeuren had zien hangen.
‘Waarom hang je aan de deur’, vroeg ze.
‘Ik maak ruimte’, antwoordde ik kortademig.
‘Zal ik de dokter bellen?’
’Nee, het gaat zo wel over’.
Tien minuten later stond er iemand voor me in een fluorescerend oranje ambulancepak.
‘Heeft u het benauwd, meneer?’
Ik knikte of beter ik schudde mijn hoofd heftig op en neer.
‘We gaan u wat lucht geven,’ zei de ambulancezuster.
Voor ik het wist lag ik vastgesnoerd op een brancard, kreeg ik een zuurstofkapje op mijn gezicht gedrukt, werd ik het huis uitgereden en de ambulance ingeschoven. De deuren sloegen dicht, de brancard werd vastgezet, de sirene ging aan, de chauffeur gaf gas, we waren onderweg. Omdat ik steeds aan mijn mondkapje trok, hield de broeder mijn handen stevig vast en begon rustig tegen me te praten; dat ik snel extra lucht zou krijgen, dat er al een team op me stond te wachten, dat het allemaal goed zou komen. Toen we de parkeergarage binnen reden werd alles zwart. Het was het laatste wat ik mij van die dag herinner. Er zouden zomaar acht dagen uit mijn leven verdwijnen alsof het de blaadjes van een scheurkalender betrof.

Vanaf de brancard werd hij in een behandelkamer op een bed gehesen, zijn overhemd werd opengeknipt, er werden pads op zijn borst geplakt waarop draden werden aangesloten. Het team om het bed dacht aan een longembolie en wil daarom zijn ademhaling overnemen. Daarvoor moest hij geïntubeerd worden, dat is een flexibele buis in de luchtpijp inbrengen om zo de ademhaling te kunnen reguleren. Hij kokhalsde toen de buis, tussen de stembanden door, zijn keel ingeschoven werd en samen met een kwak groene prut weer naar buiten schoot. Hij moest zo hard hoesten dat zijn hart het begaf. Er klonk een schelle piep en er verscheen een flatline op één van de monitoren. Een broeder dook onmiddellijk boven op hem en een verpleegster nam Asja dwingend bij de arm en leidde haar de kamer uit.
‘Zo’n reanimatie is een akelig gezicht, wacht u maar even op de gang.’
Voor ze iets kon vragen was de verpleegster alweer vertrokken. Asja staarde als versteend naar de deur waarachter een verpleegkundige hem schokken toediende die zo hard aankwamen dat zijn lichaam bij elke schok omhoogschoot.
Ze bleef naar de deur staren terwijl ze, als in een mantra eindeloos achter elkaar, niet doodgaan, niet doodgaan, niet doodgaan, herhaalde. Ze weet niet hoe vaak ze dat gezegd heeft toen na zeven eindeloze minuten eindelijk een arts de kamer uitkwam:
‘Hij heeft het gered, dat is het goede nieuws, maar u moet er rekening mee houden dat uw man hier binnen het uur ook aan kan overlijden.’
Ze moet hem vreemd aangekeken hebben; ‘Heeft u geen familie die u wilt informeren?’
Om dan te vervolgen: ‘Uw man gaat zo naar de IC, u kunt, achter het bed aan, met hem meelopen.’

Zijn hart had bijna vier minuten stilgestaan. Een kritische grens, langer levert vrijwel zeker hersenbeschadiging op. Nu kon het misschien nog weleens meevallen. Met een pompkracht van 35% was zijn leven weer enigszins op gang gekomen. Maar hoe dat leven er na de coma uit zou zien, kon niemand vertellen. Acht dagen lang zat Asja naast zijn bed met vragen waar geen antwoord op te geven was. Zou hij nog kunnen werken, zouden ze nog seks kunnen hebben, hoe waren ze verzekerd, zou ze de rest van z’n leven voor hem moeten zorgen? Ze had geen idee.

Hij had van haar aanwezigheid nul besef, het waren parallelle werelden; zijn lichaam in het ziekenhuisbed met zijn vrouw ernaast, het bezoek er omheen en zijn geest gevangen in een onheilspellend zwart gat.
Zijn lichaam dat zich hevig had verzet tegen de intubatie verzette zich ook tegen de naalden en slangen die in zijn lichaam ingebracht waren. Zijn neus, zijn keel, zijn penis en zijn aderen zaten volgestopt met plastic buisjes. Die buisjes moesten eruit, zo probeerde hij de sonde uit zijn neus te halen of een infuusnaald uit een ader te peuteren. Zijn polsen werden daarop uit voorzorg met dwangbanden aan de hekken rond het bed vastgelegd. Terwijl zijn lichaam in bed, na een extra dosis morfine, een rustige indruk maakte, je lag er als een mummie bij zou Asja later zeggen, was zijn geest bezig zich staande te houden in een akelig donker uitspansel waar elk oriëntatiepunt ontbrak.

Ik sta midden in een stroom van als kruiend ijs over elkaar schuivende schotsen. Op één van deze schotsen houd ik mij staande zoals je dat op een surfplank zou doen. Om me heen is het oorverdovend stil, ik beweeg met de stroom mee, maar hoor geen geluid, voel geen wind langs mijn gezicht strijken, ik ben verloren, ik ken de regels, de wetmatigheden hier niet. Dan klinkt er een schelle piep en is er opeens oorverdovend geluid. Ik hoor het geweld van de schotsen stroom en weet dat ik rechtsomkeert moet maken. Geen twijfel mogelijk, ik stroom op een afgrond af, ik moet maken dat ik hier wegkom. Ik draai me om en loop tegen de stroom in, de pieptoon wordt zachter en stopt na een paar flinke stappen. Ik loop door en ook het bonzen in mijn keel zakt langzaam weg maar niet voor lang want weer is daar die schelle snijdende toon. Mijn hart bonkt als een losgeslagen schip dat tegen een kademuur aan beukt. Ik loop nu zoals je een roltrap die naar beneden gaat omhoog kunt lopen door sneller te stappen dan dat de traptreden dalen. De piep verdwijnt weer. Ik moet daar weg, maar besef dat als ik vooruit blijf lopen, ik op een keer op dezelfde plek uitkom als waar ik begonnen ben. Ik mag dus niet te hard lopen maar zeker ook niet te traag. Het is uitstel van executie weet ik dan, ik kan mijn lot niet afwenden. Want waar ik mij vanaf beweeg, daar kom ik ook op uit. Mogelijk gelden hier andere wetten en kan ik misschien eindeloos rechtdoor blijven lopen, stel ik mijzelf voor even gerust.
Maar daar is de pieptoon alweer, blijkbaar was mijn tempo vertraagd of de stroom versneld. Dat heb je ervan denk ik, ik moet niet denken, ik moet harder lopen, niet denken maar doorlopen, denk ik. Zo ben ik acht dagen bezig, steeds weer opgeschrikt door die schelle pieptoon, om niet in die gapende afgrond te belanden.
Ontsnappen uit een zwart gat is onmogelijk weet ik, dus zal ik eeuwig moeten blijven lopen. Het wachten is slechts op het moment dat mijn benen me niet meer kunnen dragen en ik een misstap maak, uitglij en meegesleept wordt in de meedogenloze diepte, daar waar het geween en het tandengeknars klinkt. Maar dan struikel ik over mijn eigen voeten en smak ik, niet in staat mijn val met mijn handen te breken, vol met mijn gezicht tegen een van de schotsen. Als ik versuft mijn ogen opendoe ben ik omgeven door fel wit licht. Het einde weet ik, nu is het klaar.
Het is alsof ik naar een zich traag ontwikkelende polaroidfoto kijk, er ontstaan vage omtrekken in het witte licht. Dit moet dan de hemel zijn of in elk geval iets dat daarop lijkt. Een vrouwengestalte maakt zich los uit de achtergrond en loopt op me toe. In de verte hoor ik mijn naam. De vrouw komt dichterbij en pakt mijn hand. Er gaat een weldadige stroom door mijn lijf.
‘Knijp eens in mijn hand als je me hoort.’
Ik doe wat ze vraagt en knijp zachtjes in haar hand.
‘Hij knijpt,’ hoor ik haar met lichte verbazing zeggen.
‘Mooi, dat is een prima teken, hij zal met een uurtje wel weer wat meer aanspreekbaar zijn,’ zegt iemand in een witte jas.
`Knijp nog eens in m’n hand.’
Ik doe wat ze vraagt en knijp in haar hand. De polaroidfoto ontwikkelt zich verder door, de kamer krijgt kleur en vrouw die mijn hand vasthoudt begint op Asja te lijken.
Ze zegt: ‘Ik heb je zo ontzettend gemist,’
Dan dit besef; dit is de vrouw die mijn leven gered heeft, dit is Asja. En dan knijp ik zachtjes in haar hand.