Categorieën
Non-fictie

Een vlugge vlam

Lieve lezer. Ik wil je aan iemand voorstellen, je kennis laten maken met haar verhaal en de woorden die ze heeft nagelaten. Het is iemand waar je waarschijnlijk nooit van hebt gehoord, maar die het verdient om gekend te worden.

* * *

We bevinden ons in het Friese dorpje Makkum, 6 november 1755, in het uur tussen nacht en ochtend, vlak voordat de allervroegsten ontwaken. Het regent zachtjes en de straten glinsteren in het licht van de maan. Ze zijn uitgestorven, op een spichtige gestalte na. Met de schouders ingetrokken en zijn gezicht in een morsige jas verborgen, haast hij zich door de kou.
Als je hem zo ziet, zou je niet verwachten dat het een welvarende koopman is. Zijn naam is Durk Lenige en hij is onderweg naar de vroedvrouw, terwijl in zijn oren het kermen van zijn echtgenote Akke nagalmt. De afgelopen negen maanden heeft hij het kindje in haar buik zien groeien, en nu wil het de wereld ontmoeten. Zijn handen zweten. Het kraambed is een grillig ding. Soms geeft het, soms neemt het. Dat weet hij maar al te goed. Al eerder verloor hij een vrouw en een kind. Het idee nu ook Akke in de koude grond te moeten leggen, maakt hem misselijk.
De rest van de ochtend gaat in een waas voorbij. Durk zit in de keuken, biddend en wachtend, terwijl zijn vrouw een verdieping hoger dierlijke geluiden uitstoot. Er lijkt geen einde aan te komen, tot het ineens stil is. Heel stil. En dan klinkt het zwakke huilen van een zuigeling. De vroedvrouw stommelt de trap af, haar voorhoofd bezweet en haar schort roodgevlekt. ‘Meneer,’ zegt ze in het Fries. ‘Ik kom u feliciteren. U heeft een dochter.’
Durk durft nog geen opluchting te voelen. ‘Hoe gaat het met Akke?’ vraagt hij.
‘Die maakt het goed.’ De vrouw glimlacht. ‘Ze wil u aan het kind voorstellen.’
Nu lacht Durk ook. Hij staat op en loopt mee naar boven. Als hij daar, aan het einde van die novemberochtend, zijn eerste blik werpt op het kleine wezentje, voelt het alsof zijn ziel samensmelt. Voorzichtig streelt hij het wangetje van zijn dochter. Ze voelt kwetsbaar. ‘Ik zal haar weer verliezen’, schiet het door zijn hoofd, maar snel duwt hij de gedachte weg.

* * *

De baby groeit uit tot een meisje. Ze wordt Kynke genoemd. Kynke Lenige. Ze heeft asblonde haren en een bleke huid. Wegens een zwakke gezondheid krijgt ze thuis les van Durk, die hierin wordt bijgestaan door schoolmeester Teeke Dooitzes. De twee mannen, beiden hobbydichters, besteden veel aandacht aan de Nederlandse taal. Ze tonen het meisje de kracht van het dichten, de schoonheid die woorden en zinnen krijgen als je ze naar je hand weet te zetten.
Vader en moeder Lenige richten op hun bovenverdieping een kamertje in, speciaal voor Kynke. Haar boekvertrek. Daar treffen we haar nu aan. Ernstig fronsend, nauwelijks twaalf jaren oud, aan een houten tafeltje. Er ligt een half beschreven blad op. Wie goed kijkt, ziet haar lippen subtiel bewegen. ‘Leeft, kleeft. Beeft, zweeft.’ Ze fluistert de woorden, proeft en weegt ze. We horen haar stem. Een helder geluid, sterker dan je bij zo’n frêle ding zou verwachten. Af en toe zien we haar gezicht oplichten. Dan buigt ze zich naar voren en zet ze, zonder een spoor van twijfel, een zin op papier.
De deur gaat open en Durk komt binnen. Sinds Kynkes geboorte is hij nauwelijks veranderd. Alleen zijn haren zijn grijzer en dunner geworden. En hij heeft meer rimpels rond zijn ogen, maar die zijn van geluk. Hij gaat naast zijn dochter staan.
‘Vader,’ zegt ze. ‘U mag het nog niet zien. Het is nog niet af.’ Maar de man pakt het papier van de tafel en laat zijn blik onverstoord over de regels glijden. Zijn mondhoeken krullen omhoog. ‘Je streeft Van Merken nog eens voorbij,’ mompelt hij. Daarmee doelt hij op Kynkes grootste voorbeeld, dichteres Lucretia van Merken.
Het meisje schudt haar hoofd. ‘Dat moet u niet zeggen, vader.’
Durk legt een hand op haar schouder. ‘Bescheidenheid is een mooie eigenschap, maar ik denk dat je voor grootse dingen bent voorbestemd.’
Met die woorden verlaat hij het vertrek. En zien we het nou goed? Verschijnt er een roze gloed op Kynkes wangen? Ze glimlacht in zichzelf en kijkt naar buiten, waar het begint te schemeren. Vertrouwde straatgeluiden borrelen naar boven. Voetstappen, pratende en lachende mensen, rinkelende glazen, vechtende katten. Grootse dingen…

* * *

In 1773 voegen vader en dochter Lenige zich bij het Makkumse dichtgenootschap “Konst voedt ’s menschen geluk”. Rond deze tijd bedenkt het meisje een nieuwe naam voor zichzelf. De Makkumse koopmansdochter ging als Kynke door het leven, maar de veelbelovende dichteres zal Cynthia heten. Waarom? We kunnen er alleen naar gissen. Waarschijnlijk vindt ze het beter passen.
Al snel ontstijgt haar werk dat van de rest van het genootschap. Ze begint haar vleugels uit te slaan en zoekt contact met dichters buiten haar Makkumse kringen. Zo wisselt ze vanaf 1776 verzen uit met de Harlingse Jan A. Backer en de Amsterdammers Jan Jordens en Willem Bilderdijk. Ook haar nieuwe correspondenten zijn diep van haar werk onder de indruk. Ze zou het nooit toegeven – naar buiten toe is ze de soberheid zelve – maar het vervult haar van trots. In haar wereld wordt de woordkunst als een mannelijke aangelegenheid beschouwd, maar al die mannen loven en lauweren háár, een meisje uit een onbeduidend dorp in Friesland. Ze nodigen haar uit voor intellectuele gesprekken en moedigen haar aan om haar talent te verfijnen, zich te ontwikkelen. Haar vader is trots en de Nederlanden liggen aan haar voeten. Meer kan ze zich niet wensen.

* * *

We zien haar weer zitten, achter diezelfde houten tafel. Ze is drieëntwintig jaar oud; het kind heeft definitief plaatsgemaakt voor jonge vrouw. Haar haren hangen in een lange vlecht op haar rug en rond haar ogen zien we donkere kringen, restanten van de spanning van de afgelopen dagen.
Door Makkum heerst een dodelijke ziekte, die ook in huize Lenige heeft toegeslagen. Cynthia wordt weer koud van binnen als ze denkt aan de klamme handen van haar zusje, het bleke gezicht van haar broertje. Zij zijn er bovenop gekomen, maar dat geldt niet voor iedereen. Onze dichteres is goede vrienden verloren. Mannen en vrouwen die ze al haar hele leven kende, die haar op straat groetten en voor haar klaarstonden. De twijfel, de paniek… Het heeft haar aan het denken gezet.
Er wordt gefluisterd dat de epidemie een straf van God is, maar zij denkt daar anders over, en voor het eerst in al die angstige weken doopt ze haar pen in de inkt. “Gedachten over de heerschende ziekte des jaars 1779”, schrijft ze bovenaan het blad dat voor haar ligt. En alsof de woorden zich in haar hebben opgehoopt, beginnen ze naar buiten te gutsen. Regels over de broosheid van het leven, over de inherente onzekerheid, de smalle kracht van hoop. Pijn, verdriet en ziekte horen bij dit aardse bestaan. Dat geldt voor iedereen, ook voor de zachtmoedigen, voor de vriendelijke en goede mensen. Alleen hoeven die niet bang te zijn voor de dood, want na de laatste ademteug wacht hen eeuwige vreugde. “Leer dus deugdzaam zijn,” schrijft Cynthia beslist. “Dan zult gij zalig wezen / Al brak de wereldspil, gij hadt geen schok te vrezen.”

* * *

Het is alsof Cynthia op die herfstdag van 1779 aanvoelde wat haar te wachten stond. Precies een jaar later overlijdt ze aan de dysenterie, een ernstige bacteriële infectie. Op de trouwdag van haar ouders wordt ze in haar geboortegrond begraven. Normaliter zou ze een gedicht hebben voorgedragen. Het lag al klaar…
Twee jaar na Cynthia’s dood laat Durk haar werk uitgeven onder de titel “Mengeldichten van Cynthia Lenige”. Achterin de bundel vinden we een lange reeks lijkzangen; gedichten van Cynthia’s naasten, geschreven naar aanleiding van haar overlijden. Woorden vol rouw, verdriet, ongeloof en postume bewondering. Hieronder bevinden zich twee teksten van Durks hand, waarin hij zijn dochter vergelijkt met “een vlugge vlam, een ras voorbijgaand vuur”. Ze brandde fel, maar kort. Te kort om de hoge verwachtingen van haar vader en kunstgenoten waar te maken, maar lang genoeg om een diepe indruk achter te laten.

* * *

Door haar werk de wereld in te sturen, probeerde Durk misschien een vonkje van zijn Cynthia gloeiend te houden. Het smeult nog altijd na, heel zachtjes, nauwelijks waarneembaar. Hier en daar wordt ze herinnerd. Nu ook door jou.

***

Benieuwd naar Cynthia’s gedichten? Ze worden online (gratis) beschikbaar gesteld: https://books.google.nl/books?id=2DNlAAAAcAAJ&printsec=frontcover&hl=nl&source=gbs_ge_summary_r&cad=0#v=onepage&q&f=false