Categorieën
Non-fictie

Een ander leven

Een ander leven

Steve had de hele periode van de rechtenstudie gebruikt om zijn waterpijp te perfectioneren. Het was een knots van een ding, die hij vol trots in ons midden zette. Uit een drumstokje, haalde hij een verborgen stukje stuff dat hij aanstak. Timothy en Kate namen een bescheiden trekje, maar Steve en ik lurkten flink aan de pijp. We werden lekker stoned. Zodra we elkaar aankeken barsten we in lachen uit, terwijl de andere twee er wat schaapachtig bij zaten te kijken.

Het biertje dat ik daarna dronk, viel niet goed en kwam er weer uit toen we naar buiten liepen. Timothy hield me vast en was bezorgd. Maar dat was niet nodig, ik wist me wel te handhaven. We gingen per slot van rekening met z’n vieren stappen in London! Dat wilde ik voor geen goud missen.
We bezochten onder andere de beroemde Marquis Club en een paar pubs. Maar omdat ik moeite had om de Engelse conversatie tussen de drie metgezellen te volgen, was het minder leuk dan verwacht. Vooral het zware schotse accent van Timothy was bijna niet te verstaan. ‘Wat zeg je?’ vroeg ik vaak, totdat ik uiteindelijk mijn mond maar hield. Af en toe knikte ik glimlachend ja of nee, in de hoop de juiste beweging op het juiste moment te maken. Hoe kon het toch dat ik hem in Spanje zo goed begrepen had?

Tijdens een strandvakantie in Spanje hadden we elkaar aan de campingbar ontmoet. Het was gezellig, we praatten, lachten, dronken wat en doken daarna ieder onze eigen tent in. De volgende dag zat zijn vakantie er alweer op en moest Timothy helaas naar huis.
Omdat we adressen hadden uitgewisseld, viel er die winter regelmatig een nog handgeschreven brief in de bus. Toen mijn kat problemen had na de castratie, stuurde Timothy het vinyl singeltje ‘The Year of the Cat’ van Al Stewart, op. Wat attent. Ik vond het ook fijn om mijn belevenissen aan hem te schrijven. Zo ontstond er gaandeweg een band tussen ons. Toen hij me uitnodigde om in mei naar London te komen, zei ik dan ook van harte ‘ja’.

Hij stond al een uur met smart op het station te wachten. Ik stapte uit de verlate trein. Mijn wijde rok zwierde om me heen vanwege de tochtige wind op het perron. Hij rende naar me toe en nam me voor het eerst in zijn armen…
Zo stelde ik me het romantische weekendje London voor, maar zo ging het dus niet. Timothy stond stijfjes en afwachtend op het perron. Een beetje zenuwachtig stapte ik uit de trein, in spijkerbroek, want dat reist gemakkelijker. Ik wilde hem spontaan een zoen geven, maar deed dat uiteindelijk toch maar niet. Hij was kleiner dan ik me herinnerde en het enige wat de tocht op het perron deed, was zijn lange, donkere kuif voor zijn helderblauwe ogen blazen.

Afijn we vertrokken naar het appartement van zijn vrienden in een buitenwijk. Zaterdagochtend gingen we bij het krieken van de dag met z’n tweeën op pad. We namen de trein naar Cardiff om daar een voetbalwedstrijd van Timothy’s favoriete club bij te wonen. Ik ben niet echt een voetbalfan, maar Timothy genoot. Morgen zouden we London wel ingaan. Je moet wat voor een ander over hebben, nietwaar. Maar ik zal waarschijnlijk niet al te enthousiast gekeken hebben want Timothy vroeg geregeld ‘Alright?’
Met een vaag ‘Yeah, yeah’, wuifde ik zijn bezorgdheid weg.

De volgende dag stond ik te popelen om de stad te verkennen. ‘Gaan we?’ Volgens Timothy was op zondag alles dicht. ‘Wat wil je dan gaan doen?’ Ik zag ons al hand en hand door de parken lopen, zoenen op een bankje… Girls just wanna have fu-un, zou Cindy Lauper zingen, mijn lijflied.
‘Nou de krant lezen…’

Na de zondagse rustdag en een avondje vroeg naar bed was ik de volgende ochtend goed uitgeslapen. Ik was als eerste op, vol verwachting over de dag die komen ging en waarin we London zouden ‘doen’. Ik ging alvast ontbijten, wachten, wassen, aankleden, wachten. Iedereen sliep nog steeds en ik werd steeds ongeduldiger. In een impuls heb ik mijn rugzak gepakt, een korte notitie op de achterkant van een kassabon geschreven en ben het huis uitgelopen.

Daar liep ik dan, helemaal alleen in de grote stad. Het retourticket was pas voor over twee dagen, waar moest ik in de tussentijd heen? Eerst maar een B&B zoeken. Het nam een paar uur in beslag voordat ik een min of meer betaalbare plek had gevonden. Helemaal op mijn gemak voelde ik me niet. Stel je voor dat ze me wat aandeden, dan weet niemand waar ik gebleven ben. Ik kocht een ansichtkaart voor mijn vriendin. Als ik verdwijn, dan is dit mijn laatste adres, schreef ik achterop.

Ik voelde me opgelucht, vrij en met opgeheven hoofd stapte ik door London. Wat een machtig mooie stad was dit! Ik bekeek de Tower, liep langs de parlementsgebouwen en ging musea in, die nota bene gratis intree hadden. Met open mond stond ik voor het grote schilderij ‘Het Park’ van Monet.

Als je zo alleen op reis ben ontmoet je allerlei mensen. De conversaties in het Engels gingen nu weer moeiteloos. Zo kwam ik in gesprek met een Londenaar aan wie ik vroeg of het echt waar is dat alles op zondag gesloten is. ‘Natuurlijk niet’, was zijn antwoord, ‘dit is London!’. Een Italiaan op een bankje in het park bekeek advertenties in de krant om een baantje te zoeken. Hij wilde in de grote stad blijven. Dat leek mij eigenlijk ook wel wat.

De dag was voorbij, ik sloot me op in mijn kamertje en bedacht wat ik de volgende dag zou gaan doen. Ik telde mijn geld, waar niet al te veel meer van over was. Kon ik nog een nachtje blijven? Moest ik hier ook een kamer en een baantje gaan zoeken? Of zou ik maar op de bonnefooi naar de veerboot reizen en hopen op een vrije stoel terug naar Nederland?
Ik besloot tot dat laatste.

Eenmaal thuis besefte ik wat ik gedaan had. Wat was ik een verwend kind en wat een schok moet het voor Timothy zijn geweest: Wat had ik hem aangedaan! Of was hij blij met mijn vertrek en was het een opluchting geweest? Want ik weet echt niet of hij mij nu leuk vond of niet. En hoe onbeschoft was ik geweest naar Steve en Kate toe, dat ik zonder dankjewel te zeggen vertrokken ben.
Ergens hoopte ik dat Timothy mij een brief zou schrijven, een ongeruste of desnoods boze brief… Dan kon ik hem uitleggen wat er gebeurd was. Of zou ik hem sowieso een excuusbrief schrijven? Ach, voor hem zou het beter zijn om mij maar zo snel mogelijk te vergeten. Een brief zou alleen maar zout in de wond zijn geweest.

Maar ik miste het contact en ik miste vooral de hoop, de droom.

Na vijfendertig jaar denk ik nog geregeld aan hem en voel ik me nog steeds schuldig. Pasgeleden heb ik zijn naam eens gegoogeld. Hij laat zich nu Tim noemen, dat klinkt krachtig. Met zijn intelligentie en ambitie heeft hij zich tot een belangrijk zakenman weten op te werken. Hij ziet er nog steeds goed uit, knappe kop, mooi strak in het pak. Hij woont in een kasteel van een huis. Er is ook een foto waarop een leuke vrouw, net zo blond als ik, trots naar hem opkijkt.

Dat had ik kunnen zijn en daar mijn leven.