Categorieën
Non-fictie

Dumpling Psalm, een queeste in Manhattan

Dumpling Psalm
Een queeste in Manhattan

Toen ik net voor kerst in New York City was, hoopte ik matzoballensoep, een Joodse soep met deegachtige ballen, te eten met Eli die vorige keer vertelde eindelijk een goede vegetarische variant gevonden te hebben. Helaas was Eli ‘de koosjere vleeseter met veel respect voor vegetariërs’ onvindbaar. Zittend in een goedkope Aziatische snackbar doe ik een nieuwe poging om hem te bereiken. Geen antwoord. Niet dat ik hem had kunnen verstaan moest hij de telefoon hebben opgenomen. De muziek in de snackbar staat luid en ik ben omsingeld door slurpende lunchers van over heel de wereld. De twee dove geliefden waarmee ik een tafel deel, lossen, ook tijdens het noedelslurpen, geen enkel moment elkaars blik en hebben geen oog voor mij en de lila website waarop ik zou ontdekken dat Eli afgelopen zomer overleed.

Eli kwam in mijn leven via Michael. Van Michaël zou je kunnen zeggen dat hij een ex-geliefde is maar omdat ik niet zeker ben of er wel liefde in het spel was, categoriseer ik hem niet zo. Ik spreek ook niet graag over hem. Voor Eli gold een beetje hetzelfde. Alhoewel Michael de schakel was tussen ons beiden, was hij zelden onderwerp van onze gesprekken. Michael beweerde ooit dat Eli verliefd was op hem was en dat die liefde de oorzaak was van hun moeilijke vriendschap. Ik zelf vermoede dat hun gesukkel eerder te maken had met Michael die meer geïnteresseerd leek in Eli’s bezittingen, kennis en status dan in Eli zelf. Ik herinner me nog hoe Michael – muzikaal, ongeduldig, atletisch en naar eigen zeggen spiritueel – keek naar Eli’s nieuwe Oosterse tapijt. Eli bekende ooit dat hij aanvankelijk dacht dat ik een leeg aanhangsel van Michael was. Toen ik die ene namiddag ter voorbereiding van de komst van het nieuwe tapijt op mijn knieën zijn vloer schrobde, besloot hij me het voordeel van de twijfel te geven.

Ik heb de liefdeskwestie nooit echt geloofd of beter gezegd nooit laten doordringen en bekeek dus ook nooit de realiteit vanuit dit perspectief. Ook vroeg ik het niet rechtstreeks aan Eli die op één of andere manier los leek te staan van alles dat te maken had met relaties, seks en romantiek maar misschien ja, misschien was het waar en misschien maakte een gedeelde vernedering door Michaël onderdeel uit van de band tussen mij en de wijze zeventiger. Wie zal het zeggen. Eli alvast niet meer. Het overlijdensbericht was vaag. Zelfs de sterfdatum ontbreekt. Op een andere website vond ik:

Oh dit vergankelijke leven …
Deze week ontvingen we triest nieuws.
Eli Finkler heeft ons verlaten.

Eli was tot aan zijn pensioen bibliothecaris van de afdeling theologie en filosofie.
Eli assisteerde doorheen de jaren duizenden wetenschappers, seminaristen en studenten.
Niet alleen was Eli’s kennis indrukwekkend, ook was Eli ongezien genereus.
Eli wist veel over zijn eigen Joodse geloof en volk maar was tevens een grote bron van informatie over de geschiedenis en gewoonten van andere religies.
Een geleerde naar de juiste en o zo broodnodige bron sturen, was zijn missie.
In zijn spreken, was hij precies en logisch.
Hij was kalm, koel en onfeilbaar beleefd ten aanzien van de veeleisende bibliotheekgebruikers .

Eli was zanger en muzikant.
De voorbije jaren zong hij vooral graag psalmen.
Hij zal erg gemist worden …

Traag mijn dumplingsoep verorberend, volgens Eli zijn dumplings een beetje als matzoballen, dacht ik aan onze laatse ontmoeting. Hij trakteerde me op een pistachetaartje in zijn favoriete koffiebar in de buurt van zijn appartement aan de Upper West Side en vertelde dat hij voor de eerste keer in zijn leven interesse had voor dieren. Hij liet me vier dierenfilmpjes zien. Eén van een mannelijk kalf met de naam Evan dat gered werd door activisten, één van een biggetje genietend van een haarkam-sessie, één van kittens en een rol keukenpapier en één van een egeltje dat zich uitstrekt in de palm van een hand. Eli leek niet te begrijpen waarom hij nu pas het genot van dieren kijken ontdekte en zei dat ik naar Central Park moest gaan omdat daar twee nieuwe vogelsoorten waren gespot.

Na mijn soep, wandelde ik van de Lower East Side tot in Brooklyn. Onderweg belde ik met mijn vader die in hetzelfde jaar als Eli geboren werd. Ik zei dat het raar was. Dat ik zoveel maanden gewoon leefde in het idee dat voor Eli hetzelfde gold, dat ook hij simpelweg bestond. En nu, nu dat niet het geval blijkt, voelt het alsof ik evengoed kan blijven doen alsof hij er nog is. Mijn vader vond dat geen goed idee. ‘Dat heet ontkenning, en is de eerste fase van rouw.’
Al wandelend liet ik Eli en zijn dood even varen.

Op de laatste dag, net voor ik weer naar het landelijke Upstate New York zou gaan, stond ik vroeg op en wandelde ik van de Lower East Side naar de Upper West Side, waar zowel Eli als Michael die ondertussen terug naar Texas verhuisde, vroeger woonden. Ik stapte bijna de hele voormiddag en hoe dichter ik kwam, hoe scherper Eli en Michaël werden. Alles links van Central Park zal altijd een beetje zal glimmen in Michaëls blondheid. Eli’s adres kende ik niet van buiten. Wel wist ik dat hij op een Avenue parallel met Amsterdam Avenue woonde. Avenues in Manhattan lopen van het Noorden naar het Zuiden. Ik herinnerde me ook welke winkels naast Eli’s koffiebar lagen en kon me het ruimteschipachtige metrostation tegenover de koffiebar scherp voor de geest halen.

Mijn geheugen bleek goed te werken, want sneller dan verwacht stond ik weer voor het grote appartementsgebouw waar zijn naam gewoon nog op de bel stond. Een vrouw in een paarse jas ging naar binnen, hield de deur voor me open en daar was ik, in de oude gang met zwart-witte tegels en donkerrode afgebladerde muren. Een kerstboom met gekleurde lichtjes stond naast een plastic Joodse kandelaar met witte lichtjes. Straks is het kerstavond en straks zal ik de trein nemen in Penn Station, het station dat ik, onder andere door de lage plafonds, het hoge gehalte aan menselijke ellende en de onvindbare perrons verstopt in een fluorescerend web van winkels, ervan verdenk één van de verborgen portalen naar de hel te zijn.

Een bleke jongen bij de lift vraagt of ik iemand zoek en mee naar boven wil. Ik schud mijn hoofd. Nee, naar boven, naar zijn appartement en verdieping gaan zou overdreven zijn. Toch?
Ik herinner me de smalle lift waarin ik aarzelde om Michael, waarbij ik me iedere dag onzekerder voelde, te kussen en vraag me af hoe Eli beneden geraakte. Ik zag niet meteen hoe een doodskist of brancard in de lift zou kunnen passen. Later realiseerde ik me dat die oude appartementsgebouwen allemaal een dienstlift hebben. Voor verhuizingen en dus ook voor doden. Na wat drentelen in de hal, waar ik een foto maakte van de kerstboom en de kandelaar, trek ik naar Eli’s koffiebar waar de geruite barista nog nooit van de man die hier twintig jaar aan een stuk iedere ochtend zijn koffie dronk, hoorde. Ik bestelde een koffie met veel melk en at een kleverige koek waarvan ik vermoed dat Eli hem lekker gevonden zou hebben. Hoe meer suiker hoe beter.

Na de koffiebar probeerde ik de diner waar we soms aten te vinden. Ik herinnerde me de indeling van de diner en ook en dat er iets speciaal was aan de diner. Aan het interieur en aan de naam. Wat het precies was, wist ik niet meer maar ik zou het zeker herkennen. Ik wandelde traag en las alle namen van de winkels, restaurants, banken, residenties en zakenkantoren. Ineens was er een naam die ik herkende. Het was geen diner, wel een Joodse begrafenisonderneming met zeer gevoelige glazen schuifdeuren die me het gevoel gaven dat nu ik hen had laten opengaan, ik ook wel moest binnen komen. Eens binnen werd ik aangestaard door een man met grijze krullen die na tien ellendige stille seconden vroeg of hij mij kon helpen. Zijn stem had dezelfde zachtheid en strengheid als Eli’s. Ik knikte. Uit mijn keel kwam een hoog geluid en in dat hoog geluid weerklonk Eli’s naam. Dat man wees naar een zitbankje naast de glazen deur. Vermoedelijk ben ik niet de eerste die dit overkomt aan deze deur.

Vanop het bankje zag ik de man zoeken op een grote computer met op het beeldscherm een programma met veel tabellen. Ik denk Excel, misschien Access. Een paar minuten later overhandigt hij mij een eenvoudige brochure. Zwart-witte letters geprint op wit papier. Het ‘Israël kerkhof’ , enkel bereikbaar met de auto, met zwarte pen omcirkeld. De man knikt op een beleefde, afsluitende manier en ik vraag niet naar de exacte overlijdensdatum. Het is niet belangrijk. Ik hoor het misschien ook niet te weten. Het doet er niet toe. Het is niet van toepassing.

Nvdr: Eli heet niet Eli. Maar dat doet er niet toe.