Categorieën
Non-fictie

De langste dag

Je wilt weten hoe het voor mij was? Ik dank je voor je interesse, je lijkt me erg betrokken. ‘Daar kom je nooit meer overheen,’ probeer je vervolgens met zachte stem te troosten, er gemakshalve vanuit gaande dat ik degene ben die onherstelbaar is beschadigd. Waarom gebeurde het eigenlijk, wil je dan weten. En hoe gaat zoiets? Als ik eerlijk ben, proef ik nu een tikkeltje nieuwsgierigheid. Ik weet dat nieuwsgierigheid een menselijk trekje is dat we allemaal bezitten dus vat het niet op als terechtwijzing, als ik je vraag of jij weet op welk moment nieuwsgierigheid overgaat in sensatiezucht. Weet je zeker dat je niet iemand bent die zijn auto op de vluchtstrook parkeert om rustig naar een ongeluk te kunnen kijken? Nee? Echt niet? Je hebt een belangeloze interesse in de feiten, zeg je. Goed dan. Stel je voor.

Op het pad naar de voordeur staat een politieauto. De voordeur staat wagenwijd open. Snel stap je de hal in, de gang door, langs een politieagent die met je vader praat, de eetkamer in. Het valt je direct op.
Haar mond ligt verkreukeld op haar gezicht.
‘Dat komt omdat ze geprobeerd hebben haar gebit in te doen,’ zegt je tante.
Je kijkt naar je moeder. Ze ligt languit op de eettafel in haar nachtjapon, opgediend als een dis bij het kerstdiner. Het is geen kerst. Het is de vroege ochtend van de eenentwintigste juni. In de kortste nacht van het jaar heeft ze besloten er tussenuit te gaan.
‘Ze was al koud toen ik wakker werd,’ zegt je vader tegen de politieagent. Je buigt je over haar gezicht. De wangen en ogen zijn ingevallen waardoor haar voorhoofd, neus en kin meer dan voorheen uitsteken. Toch zie je nog steeds de zachte, ronde trekken die je zo goed kent, op de samengedrukte lippen na. Je zakt door je knieën en brengt jouw hoofd dicht naast het hare. Vanaf de zijkant bekeken, lijkt het op een sikkelvormige maan uit een kinderboek. Zo één met een lief gezichtje er in. De haartjes in haar neus glinsteren in het ochtendlicht. Heb je haar ooit eerder van zo dichtbij gezien? Zo bekeken, als een ding? Voorzichtig raak je met een vinger de huid van haar handrug aan. Die is zachter en gladder dan je verwacht. Je drukt iets steviger, dieper. Bevroren kipfilet waarvan alleen de buitenste laag ontdooid is. Dus zo voelt een dode, denk je. Je kijkt op. Je vader, broers, zus, tante staan huilend rondom de tafel. Je heb hen nooit eerder zo gezien, dat weet je zeker. Je vader lijkt te smelten, zijn lichaam druipt in verkrampte en schokkende plooien van hem af. Je tante is versteend tot een roerloos, maar levend evenbeeld van je moeder. Je broers en zus snikken luidruchtig. Je jongste broer haalt wanhopig het snot op dat even onophoudelijk uit zijn neus stroomt als de tranen uit zijn ogen. Hij heeft gezien hoe twee politieagenten moeder de trap af droegen, het hoofd naar beneden, de mond open en haar beide armen uitgespreid, twee verdorde takken die achter de leuning van de trap bleven haken, alsof ze een laatste keer wilden grijpen naar het leven. ‘Ze was net een vogelverschrikker’ zou hij later zeggen. Je kijkt naar hen en kan alleen nog denken: ‘wat is dit erg.’ Die gedachte herhaalt zich, herhaalt zich, neemt jouw hele wezen in beslag totdat jouw brein stilvalt en er niets van je overblijft, hooguit een leegte in de vorm van een mens. Je slaat jouw ogen neer. Je moeder ligt er nog steeds. Wat had je dan verwacht? Maar ze is het niet meer. Jij bent het niet meer. Je draait je om en loopt de schuifdeuren door naar de woonkamer. Daar zitten jouw ooms aan de koffie.
‘Je moeder heeft vroeger altijd op ons gepast,’zegt jouw oudste oom. Hij is een man van weinig woorden maar wil nu wat aardigs zeggen.
Je knikt en neemt een slok hete koffie die met moeite voorbij een brok in je keel glijdt, een warm spoor achterlaat in je slokdarm en brandt in je maag.
‘Je moeder was een zorgzame vrouw,’ zegt jouw jongste oom. ‘Maar sommige mensen kunnen het leven nou eenmaal niet aan, zoals jouw moeder.’ Ja, denk je, als je altijd de kop van Jut bent in je familie, dan geef je jezelf wel de laatste mokerslag.
Je vader loopt de kamer in.
‘Ze komen haar zo halen,’ zegt hij. ‘voor onderzoek. Je kunt nu nog afscheid nemen van haar zoals ze is.’
Hij ziet er wankel uit en gaat zitten op de bank. Je ooms aaien voorzichtig over zijn bovenrug. Je vader begint snikkend te huilen. Je voelt je vreemd rustig als je de kamer verlaat en door de keuken naar de tuin loopt. Op het plaatsje onder de kastanjeboom, dat je moeder eigenhandig aanlegde in het jaar dat je eindexamen deed, je weet nog hoe je daar in een andere juni, op een stretcher in de schaduw, genoot van het idee dat de wereld voor je open lag, staat de agent. Hij spreekt in zijn portofoon met zijn collega’s. Ze overleggen over de handigste manier om je moeder het huis uit te krijgen.
Even later komen twee mannen in fluorescerende uniformen via de openslaande deuren de eetkamer in. Ze dragen een brancard met een donkergrijs zeil eroverheen. Ze klappen het zeil open, nemen je moeder van de tafel en snoeren haar stevig vast op de brancard met gordels. Waarom gordels, denk je, direct daarna begrijp je het. Ook doden kunnen vallen. Dan sluiten ze het zeil. Via dezelfde deuren lopen ze met hun last weg, naar de ambulance die buiten het hek met knipperende lichten staat te wachten.
Aan het einde van de middag wordt je moeder vrijgegeven. Ze wordt teruggebracht door twee zwartgerokte mannen. Opnieuw wordt ze op tafel gelegd, dit keer in een eikenhouten kist en aangekleed. Ze draagt haar zelfgemaakte bordeaux-rode blouse en haar lange, gebloemde rok. Haar haren zijn gekamd. Ze is onherkenbaar. Ze heeft een uitdrukking op haar gezicht die ze bij leven nooit had. Haar zachte trekken zijn hoekig geworden en onnatuurlijk. Je weet dat ze in haar keel hebben gekeken, haar mond daarna hebben dichtgedrukt, haar borstkas hebben opengesneden, haar organen hebben gelicht, één voor één onderzocht en gewogen, haar borst- en buikholte hebben bekeken en haar daarna hebben dichtgenaaid, aangekleed en thuisgebracht zodat jullie afscheid kunnen nemen. Afscheid nemen van een lichaam dat zo onherkenbaar verkreukeld is, spreekt jullie geen van allen aan en jullie zijn er sneller klaar mee dan verwacht. Niet veel later wordt het lichaam voor de laatste keer opgehaald en naar het rouwcentrum gebracht.
Als het weg is, haalt je vader vijf blikken Boerenkool met worst van Struik uit de voorraad in de kelder en legt ze in de soeppan die hij heeft gevuld met heet water. Als de blikken opgewarmd zijn, zet hij ze op de eettafel, een lepel ernaast.
‘Moeten we niet dekken?’ vraag je. ‘Dit is zo ongezellig.’
Je vader lijkt geen last te hebben van het gebrek aan tafellaken en servies. Hij gaat zitten op zijn vaste plek aan tafel en steekt zijn vinger in de ring bovenop het blik. Dan beweegt hij zijn hand met een ruk naar zich toe. Het goudkleurige deksel krult naar achteren.
‘In dienst deden we het ook zo,’ mompelt hij, waarna hij met gebogen hoofd het eten uit het blik lepelt en in zijn mond werkt.
Na het eten gaat hij naar boven, om te rusten en morgen pas weer op te staan. Net als jouw broers. Jij gaat naar de wc. Het is er stil en vastomlijnd. Je blijft zitten op de pot totdat je door het geopende raampje een merel hoort zingen. Eindelijk schemert het. Je trekt door en loopt de gang in. Je zus komt binnen via de achterdeur met haar armen vol haardhout. Zij heeft in de tuin een stapel hout gekloofd, genoeg voor de hele winter.
‘Het is hartje zomer,’ zeg je.
‘Ik heb het koud,’ antwoordt zij.
Je zus legt het hout in de kachel. Ze neemt de krant van vandaag en propt deze tussen het hout. Dan steekt ze de fik erin. Het vuur knettert. Vonken vliegen als kamikazes in het rond, slaan zwart tegen het haardscherm. Samen zitten jullie ervoor, zo dichtbij mogelijk.
‘Toen ik net op de wc zat, zag ik dat ik ongesteld ben geworden,’ zeg je tegen haar. ‘Veel te vroeg.’
‘Ik ook,’ zegt jouw zus terwijl ze haar handpalmen opent naar het vuur.
‘Komt door de schok.’
Ineens voel je het ook. Je hebt het koud tot op het bot. Er is een kille tocht binnengedrongen door het uitdijende gat in jouw borstholte dat er zit sinds je vanmorgen vroeg de drempel van de eetkamer overstapte.
Je rilt.
Achter jullie valt de duisternis door de ramen naar binnen.