Categorieën
Non-fictie

De laatste brief uit Babat Toman

Hij hoopte dat het de laatste was. Hij verlangde naar de Langedijk, naar de kou die ‘s winters door de deurposten het huis in trok, hij verlangde naar het uitzicht op de bootjes door de grote ramen en bovenal verlangde hij naar kaas. Echte Goudse die hij in het pakhuis met een kaasboor uit de kazen draaide als zijn oom niet keek.
Jan boog zich over het luchtpostpapier dat voor hem lag. Op de voorkant was het woord militairluchtpostblad honderden keren schuin over het vel gedrukt. Hij vouwde het blauwe briefje open en dacht na. De geur van rijst en kool dwaalde door de ruimte. Buiten kletterde de moesson in alle hevigheid omlaag. In gedachten zag hij de rood-witte vlag weer wapperen. Zelfs de gebieden die ze tijdens hun laatste actie hadden veroverd gingen terug. Het was allemaal voor niets geweest. Zuchtend wreef hij over de boog van zijn wenkbrauwen. In ieder geval had hij voor deze brief ook een mooi verhaal. Jan voelde de spanning opnieuw in zich opborrelen. Hij pakte zijn vulpen en golfde hem over het papier.

“Beste Jets en Ine, Sumatra – 8 januari 1950

Jullie brief weer ontvangen waarvoor hartelijk dank. Maak het goed. Zoals je weet zit ik nog steeds op Sumatra. Vijf dagen geleden zouden we naar Java gaan maar ons vertrek is om onbekende redenen uitgesteld. Het is in Gorkum zeker wel druk geweest tijdens de feestdagen. Er is zeker weer van alles te koop voor wie het geld er voor over heeft.
Zeventwintig december heeft de soevereiniteitsoverdracht plaatsgehad, en het is goed geweest hier in dit land met alle ongemakken. Toen de rood-witte vlag gehesen werd was dat voor ons alsof we een klap in ons gezicht kregen. Maar ja, nu zijn we er al weer aan gewend en het is het beste je er maar niets van aan te trekken. Dus Johan Monster is ook weer thuis?” ..

Een ongemakkelijk gevoel trok door zijn maag omhoog. Twee jaar zat hij hier nu, ruim twee jaar. Het voelde zo oneerlijk dat de mariniers alweer naar huis waren. Johan Monster was veel later uit Holland vertrokken dan hij, en die zat nu weer veilig en droog in de stad. Waarom zaten ze hier nog? Het was een zware beproeving om jaren in deze jungle door te brengen. Aan sommige dingen had hij kunnen wennen, rijst en sambal in plaats van brood en kaas, zoemende muggen, aan het nooit alleen zijn en aan de ongelofelijke slagregens die soms ineens leken neer te storten. Zelf die overweldigende altijd aanwezige klamme hitte werd langzaam gewoon. Maar één ding wende nooit. De angst en onzekerheid dat elk moment je laatste kon zijn. Negen van zijn vrienden had hij verloren in die twee jaar. Een traan prikte achter zijn oogleden. Jan haalde diep adem, schudde de gedachte van zich los, en zette de pen terug op het papier.

“Ik hoop maar dat ze onze vlag teruggeven want Indië is toch voor Nederland verloren, wat of dat ze er ook aan doen. En wat denk je Jets, als alle militairen uit Indië terugkomen? Zullen er dan niet bosjes werklozen komen? Er zijn hier zovelen die willen emigreren naar een ander land. Ja, de jongens die er de kans voor krijgen geef ik groot gelijk. Als je niemand hebt zitten in Holland zit er ook niet veel toekomst in.”

Jan dacht aan de kaaswinkel op de Langedijk, hij dacht aan het overvolle pakhuis, en hij dacht aan zijn oom. Een dikke vriendelijke man met een altijd brandende sigaar in zijn mondhoek. Voor hem was er altijd een plek om naar terug te gaan. Er was hen verteld dat ze waarschijnlijk in juni thuis zouden zijn. Maar in militaire dienst kon je nergens van op aan, dat wist hij inmiddels maar al te goed. In Babat Toman werd in ieder geval al weken niets noemenswaardigs meer gedaan. Lezen, roken en eens een briefje schrijven, dat was wel de hoofdzaak. Thuis had hij in ieder geval weer iets te doen. Thuis zou hij zijn bijzondere vangst kunnen tonen.

“Misschien hebben jullie het al gehoord… ”

Even stopte hij met schrijven. Hij voelde hoe er een glimlach rond zijn lippen verscheen. Een mooier aandenken aan Indië kon hij niet hebben. Het beest had in de weken ervoor een aantal dorpsbewoners gedood. Toen ze die nacht door de jungle reden had hij hem ineens gespot. De grote ronde ogen lichtten rood op in het donker. Opeens stond hij voor hen. De chauffeur trapte op de rem en de tijger greep zijn kans. Met een hard gebrul sprong het dier boven de auto uit.

“… dat ik 4 weken geleden een tijger geschoten heb. Een machtig mooi beest. Hij is nu naar Batavia om geprepareerd te worden. Ik hoop haar over een paar maandjes aan jullie te laten zien.
De jongens komen net met het eten aangelopen. Rijst met kool, jus, sambal vlees en ananas. Een heerlijke maaltijd dus. We zullen het maar niet koud laten worden.
Als je Verschoor eens ziet, doe hem dan de groeten.

Tot een volgende zwierige poot van Jan de Ridder”

Hij legde de pen naast zich neer en vouwde het velletje in de goede volgorde dicht. Een vreemd gevoel bekroop hem. Misschien zou er geen volgende zwierige poot zijn. Misschien was dit wel echt zijn laatste brief uit Babat Toman.