Categorieën
Non-fictie

Brief aan mijn oma

Weet je nog Oma? Hoe ik ooit je eigen nieuwe ziel was: je ‘Zonnekoningin’? Mijn blije babykraai kroelde omhoog uit mijn wieg voor jou. Alleen voor jou. Mijn eenkennig gekrijs was voor ieder ander die niet mijn ouder was (heb ik me laten vertellen). Heel lang heb ik gedacht: als ze mijn oma kennen weten ze pas echt wie ik ben. En nog vind ik dat diep in mijn hart geen vreemde gedachte. Wij zijn Pinokkio’s die uit hetzelfde hout gesneden zijn. Liever kiezen we voor een fantastische leugen als de waarheid ons te saai wordt. We vonden elkaar in het mooie verhaal, de interessante gedachte. Ook opa zag jou in mij:
‘je lach, je blik, net je oma’. Ja zelfs mijn handschrift onderscheidt zich nauwelijks van het jouwe (zie ik nu terug in oude brieven).

Weet je oma, als ik thuiskwam uit school op die woensdagen en je jas al zag hangen – de geur van Belinda-sigaretten in de gang – dan juichte ik van binnen. Dan stapte ik door de keukendeur zo in een magische middag vol drop, Donald Duck en sterke verhalen. Ik begreep toen nog niet welke prijs je daarvoor had betaald, een wereld geleden. Ik kon als kind niet echt aanvoelen hoe het toen voor je moest zijn geweest om te worden verstoten uit een complex paradijs naar een nog onbegrijpelijker Jappen-kamp. Ik hoorde alleen de bravoure in je stem alsof wat je me vertelde zo uit een spannend jongensboek kwam. Die opwindende dingen wilde ik ook wel meemaken. Jouw leven leek voor mij op een bioscoopfilm. Wij trokken samen een lange neus naar tuttige meisjes in keurige jurkjes die wij weigerden te zijn. Wij wisten wel beter: wij waren kwajongens, jij en ik.

Weet je nog oma? Hoe eens in de zoveel tijd alles stuk moest? Onze nieuwe badkamer, trots van mijn ouders: ‘te veel poeha’; mijn vader: ‘kouwe drukte’; mijn broertje: ‘een ijzeren Hein’; en dan mijn moeder, jouw dochter: misschien niet meer alleen van jou? Was het dat misschien?

Je had een mening oma, en die stak je niet onder stoelen of banken. Nu was het jouw beurt. Je had immers genoeg doorstaan. Je zou je niet meer de kaas van het brood laten eten. Door niemand. Dan sloeg je hard van je af. Maar waarom tegen ons? Tegen ons gezin?

Of ging het er juist om dat wij je niet genoeg terugbetaalden voor jouw kranigheid, jouw redding van onze levens? ‘Ze heeft ons kinderen er altijd doorheen gesleept,’ was de mantra van mijn moeder. En zonder mijn moeder was ik er natuurlijk ook nooit geweest.

Soms was het plotseling niet meer genoeg, mijn sloten vol tomeloze liefde in blinde adoratie voor die gemartelde oorlogsheldin, die vrouw van de wereld, feministische politica, standbeeld van wat ik wilde worden. Dan moest je iets kapot maken. Steeds opnieuw iets anders.

Zo gebeurde het dat ik – toen er een keer teveel was gebroken – staande tussen alle scherven, daar op een dag NEE tegen zei.

Ik weet nog ongeveer hoe oud ik was toen je steeds meer verkruimelde in te veel brokjes teleurstelling. NEE. Ik was denk ik zo’n jaar of elf toen het NEE begon en zich doorzette, zich niet meer naar een JA liet bewegen. Dat heb je gevoeld. Dat weet ik. Ook al hadden we het – voor de zoveelste keer – weer bijgelegd. Daardoor werd het moeilijker elkaar te zien. Onze momenten samen werden een toneelstuk waarin we onze rollen slecht konden vinden. Geen kwajongens meer. Een tijdlang een halfslachtige poging tot beleefde meisjes. Tot helemaal niet meer. Ik bleef bij je weg toen ik ging studeren.

En toen je ging sterven kon je me niet meer onder ogen komen. Dat begreep ik wel. Ik was die kleindochter met die scherpe blik die je zorgvuldig opgebouwde imago had doen afbrokkelen. En jij gleed terug naar Indonesië. Je laatste weken een soort tijdmachine. Je schreeuwde naar de Jap achter de gordijnen, je gilde mijn moeder de deur uit. Je was op alles voorbereid, net als toen in het kamp, je belangrijke papieren in een tasje om je nek, de pakken gehamsterde zeeppoeder netjes opgestapeld in de kast. Je hebt later het hele ziekenhuis bij elkaar gekrijst. Vanuit iedere schaduw zag je de oorlog op je afkomen.
‘Moet ze geen geestelijke bijstand?’ vroeg de jonge arts vertwijfeld aan mijn moeder.
‘Geef haar in godsnaam gewoon morfine tegen de pijn,’ was mijn moeder’s antwoord.

Weet je oma, mijn kinderverzet voelt nog steeds als een dolk. In jou. In mij. Al ben je nu al jaren dood.

Vandaar deze brief aan jou omdat ik je dat wil laten weten, wie weet ergens zwevend in de lucht. Omdat mijn machteloze woede net zo diep ging als mijn liefde en ik nog weleens in gedachten met je redeneer, in sommige dromen nog steeds gelijk van je wil krijgen. Ik kon het nooit van je winnen. En nu zal dat al helemaal niet meer gaan natuurlijk. Ik moet afstappen van willen winnen. Deze brief is daar niet voor, dat moet je echt weten. Het is lucht, zoals jij, lucht geven aan gedachten. Als een klein ventiel open zetten.

Ik weet niet oma, wat jij ervan denkt, waar je ook bent. Misschien iets als: ‘typisch Pinokkio,’ want wanneer raak je immers de waarheid? Valt iets of iemand ooit te echt kennen, laat staan in woorden te vangen?

Ik weet het wel oma, het kan eigenlijk niet, zo’n brief schrijven als dit. En dat dan ook nog eens in bijna jouw eigen handschrift…