Categorieën
Non-fictie

Bevallen in tijden van Corona

Drie maanden geleden kwam Siána ter wereld in een heerlijk warm bad. Uiteraard is ‘heerlijk warm’ relatief wanneer de buitentemperatuur 36°C bedraagt. Op weg naar het ziekenhuis was het letterlijk puffen en zweten. Al waren enkele verdomd pijnlijke contracties daar wellicht de oorzaak van.
Toch waren we heel kalm, mijn man en ik. Anderhalf jaar geleden hadden we namelijk exact hetzelfde ritje gemaakt. Toen had de vallende sneeuw de weg bijna van de wereld gewist. Aangezien mijn man maar niet wilde geloven dat het eindelijk ‘zover’ was, scheelde het bitter weinig of ik had een auto-bevalling op Youtube kunnen plaatsen.

Ditmaal waren we beter voorbereid. We vertrokken onmiddellijk nadat de vroedvrouw had gestript. Niet enkel was mijn man er deze keer gerust in dat het effectief ‘zover’ was, ook ik werd rustig omdat hij rust uitstraalde. Mannen, onderschat nooit jullie invloed tijdens de bevalling!

In het ziekenhuis was de Covid-test één van de eerste onderzoeken. Inderdaad, in volle arbeid een wisser in de neus. Altijd fijn. Ik zat er meer mee in dan met bevallen zelf. Maar bij deze toch een kleine dankbetuiging voor de vroedvrouw die de wisser heeft afgenomen; bedankt, je was uiterst voorzichtig! Het lavement dat erop volgde was een stuk minder aangenaam.
“En nu? Twee uur wachten op het resultaat? Maar mevrouw, binnen het uur ben ik bevallen!”
Gelijk had ik. Het resultaat heb ik nooit te horen gekregen, maar ik heb zo’n vaag vermoeden dat het negatief was.

Positief was het wegvallen van de zwaartekracht in het bevallingsbad. Dit werkte enorm pijnverlichtend. Ze zeiden dat ik van ‘geluk’ mocht spreken dat ik nú moest bevallen. Het was nét weer toegestaan om in bad te bevallen, nadat het maanden verboden was geweest omwille van de coronacrisis. Maar waarom eigenlijk? Zowel de gynaecoloog als de vroedvrouwen volgen alle voorzorgsmaatregelen nauwkeurig op. Een mens zou bijna beginnen geloven dat een zwangerschap besmettelijk is. Zelfs het rationele deel van mijn brein (dat tijdens zo’n moment wel eens dienst kan weigeren) kan absoluut niet plaatsen dat men op die manier een vrouw ertoe verplicht een bevallingsmethode te kiezen die voor haar onnatuurlijk en oncomfortabel aanvoelt, met alle mogelijke complicaties van dien.

Gelukkig had ik – naar het schijnt – ‘geluk’; smeulend in mijn heet bad terwijl een airco de kamer koel hield. Regelmatig hapte ik naar frisse lucht doorheen een chirurgisch mondmasker. Aangezien ik drijvend op mijn linkerzij de weeën het beste kon opvangen, duurde het niet lang voordat het masker compleet doorweekt was. Het duurde nog minder lang voordat het mondmasker naar de andere kant van de kamer vloog. Hun administratie kon het tempo van mijn ontsluiting nauwelijks volgen, waardoor ze amper de gelegenheid vonden mij er op aan te spreken. Eerlijk gezegd, ze hadden het ook niet moeten proberen. Met een hoofdje van 35cm diameter tussen mijn benen, was ik niet in een begripvolle stemming.

Anderhalf uur na aankomst in het ziekenhuis kwam Siána ter wereld. Maar in wat voor wereld? Zal ze een wereld kennen waar ze een ijsje kan gaan eten zonder mondmasker? Zal ze een groepsknuffel kunnen geven aan tien vriendinnen tegelijkertijd? Zal ze haar grootouders kunnen opzoeken wanneer ze zich eenzaam voelt? Zal ze oudejaarsavond kunnen vieren tot in de vroege uurtjes? Ik weet het niet. Gelukkig weet God het wel, en dat geeft mij hoop.

“Ik weet welke gedachten ik over u koester, luidt het woord des Heren; gedachten van vrede en niet van onheil, om u een hoopvolle toekomst te geven.” (Jeremia 29:11)