Categorieën
Non-fictie

Andrei

Andrei,

Ik wil het met je hebben over begrijpen. In mijn taal leunt dit woord op een ander. Begrijpen: met het verstand vatten, doorzien. Grijpen: met een plotselinge, krachtige beweging van de zich sluitende hand omklemmen.

Voor wie werkt de kunstenaar? In de eerste plaats voor zichzelf, misschien. Omdat het noodzaak is de dingen een plek te geven, ze in een vorm te stoppen, uit de onderbuik op te diepen en in een beeld te gieten.

En daarna? In aanvragen voor subsidies en fondsen worden we telkens gevraagd een doelgroep te specificeren. In plaats van me te voegen naar wat ze horen willen, zou ik ze een ander antwoord moeten geven. Dit werk is voor mensen die een ouder verloren hebben toen ze nog niet volwassen waren. Dit werk is voor mensen die in het donker bang zijn, maar in hel fel licht, nog banger. Dit werk is voor mensen die altijd zingen als ze alleen zijn. Dit werk is voor mensen die zichzelf niet herkennen in de spiegel.

Ik heb mijn moeder over je verteld. Al jaren noem ik je als één van mijn lievelingskunstenaars. Nu, eindelijk, begon zij mijn lievelingsfilm te kijken. De spiegel. Ze durfde het me bijna niet te zeggen, maar ze heeft hem halverwege uitgezet.

Ontredderd ga ik terug naar de brieven die je citeert in De verzegelde tijd; brieven van het Russische publiek dat net De spiegel gezien heeft. “Wij, arme toeschouwers, wij krijgen goede, slechte, vaak zeer slechte, middelmatige en uiterst originele films te zien, maar allemaal zijn ze begrijpelijk. Je kunt je kwaad maken of er verrukt over zijn. Maar deze film?” schrijft iemand. Sommigen beschuldigen je van het veroorzaken van respectievelijk hoofdpijn, gevoelens van hulpeloosheid en domheid. “Kameraad regisseur, u hebt de film zelf toch ook gezien? Zo’n film is niet normaal, vind ik,” zo tiert een ander. Je moet het gevoeld hebben.

Mijn laatste werk is anders dan anders. In een donkere ruimte projecteer ik foto’s en handgeschreven woorden, terwijl je mijn stem hoort die mijmert, haar eigen kunstenaarschap bevraagt, filosofeert en zingt. Het duurt tweeëntwintig minuten en dit werk vraagt van de toeschouwer een overgave, om in het donker te zijn dat slechts af en toe onderbroken wordt door helder oplichtende foto’s, om echt te luisteren, om die tweeëntwintig minuten te blijven.

“Overigens moet ik zeggen dat ik de toeschouwers buitengewoon serieus neem en juist daarom geen film wil maken die aan iedereen appelleert. Dat zou iets naïefs, gemiddeld en banaals zijn” zeg jij, en je hebt gelijk. De meeste mensen hebben niet de mooiste smaak. Stel je voor dat de meeste kunstenaars hun best zouden doen om iets te maken wat de meeste mensen goed vinden. Ik schrijf het op als een surreële hypothese. Maar is dat niet toch, stiekem, wat zo velen doen?

De donkere installatie met foto’s en zang zou wel eens het werk kunnen zijn waarin ik mijn publiek het meest vergeten ben. Tijdens het maakproces verbleef ik in een stille streek in Finland, waar ik veel meer alleen was dan ik gewend ben. Ik was ver weg van de kunstwereld, haar openingen en tentoonstellingen. Ik miste haar niet en vergat wat ze van me wilde. Weer zo’n zin van jou die ik bij me draag: ‘Leer te houden van eenzaamheid.’

Wanneer ik tijdens de eerste tentoonstelling van mijn nieuwe werk plukjes toeschouwers mijn installatie uit zie lopen na een paar minuten donkerte, gieren de twijfels door mijn hoofd. Vraag ik te veel? Wat moeten zij met mijn zielenroerselen? Ben ik vergeten dat zij een spanningsboog hebben, een manier van kijken en denken, die anders is dan de mijne? Het moment van maken mag eenzaam zijn, juist daarom kan het diep gaan. Maar het moment van delen? Niet iedereen hoeft van je werk te houden, maar hoe veel mensen zijn genoeg; hoe weinig te weinig?

Het woord ‘begrijpen’ is het verkeerde. “Een kunstenaar moet zich via zijn werk uiten juist zoals hij echt is” zeg jij ernstig, tegen een camera. “Ik begrijp jou beter dan je kunst” zegt een vriend tegen mij. Als wat jij zegt waar is, dan is wat hij zegt onwaar. Hoe kan hij mij begrijpen en mijn werk nauwelijks, als dat werk juist de uitdrukking is van wie ik echt ben?

Het woord ‘begrijpen’ is het verkeerde. Wat zou een kijker kunnen met een kunstwerk, een kunstwerk met een kijker? Ik ga de woorden langs. Voelen, dromen, dwalen, prikkelen, ontregelen, schrikken, herkennen, ervaren, twijfelen, terugkomen, veranderen. Alles liever dan begrijpen. Het zou zonde zijn om zoiets levends als kunst met een krachtige hand te omklemmen. De adem zou er uit ontsnappen.

Ik heb ook mensen mogen spreken die na het zien van mijn werk naar adem hapten, vol vuur waren, iets een plek hadden kunnen geven. Er was iemand die lang naar woorden zocht en me een tijdje berichten vol bewondering bleef sturen. Om nog maar te zwijgen van de man die me tijdens de aftiteling de liefde verklaarde. Is het dan goed? Als negen mensen zuchten en mopperen, maar de tiende nooit meer vergeet wat hij heeft gezien?

Het zit hem ook in gewicht; zwaarte, donkerte. Er zijn mensen die hebben geleden in hun leven en er nooit meer aan herinnert willen worden. Zij kijken liever de films waarin alles goed komt. Er zijn mensen die de scherpe kant van het bestaan nog niet hebben gevoeld en er zo lang mogelijk zo min mogelijk mee te maken willen hebben. En dan zijn er zij die juist door een stukje van hun pijn te herkennen in een kunstwerk even dieper kunnen voelen – ze kunnen er bij, en dat helpt.

Op een dag kreeg je deze brief: “Ik ben u dankbaar voor De Spiegel. Ik heb precies zo’n jeugd gehad. Hoe kon u dat weten? Precies dezelfde wind als toen, hetzelfde onweer. ‘Galja, jaag die kat weg!’ riep mijn grootmoeder. In de kamer was het donker. Ook de petroleumlamp doofde toen precies zo. En mijn ziel was vervuld van het wachten op mijn moeder. Hoe mooi toont u in de film het ontluiken van het kinderlijke bewustzijn! Mijn God, hoe werkelijk, hoe waar is dit alles. Wij kennen het gezicht van onze moeders inderdaad niet. Weet u, toen ik in de donkere zaal naar het doek keek, dat door uw talent werd verlicht, voelde ik voor het eerst in mijn leven dat ik niet alleen was.”

En toen was er deze brief: “Ik ben de afgelopen week maar liefst vier keer naar uw film geweest. En ik ben niet naar de bioscoop gegaan om alleen maar te kijken, maar om tenminste een paar uur lang echt te leven, en ten midden van echte kunstenaars en echte mensen te zijn. Alles wat mij kwelt en wat ik mis, wat mij weemoedig stemt, waar ik opgewonden van raak, waar ik het benauwd van krijg, waar ik van walg en waar ik opgewekt en warm van word, alles wat mij werkelijk doet leven, en wat mij laat sterven – dat alles heb ik als een spiegel in uw film gezien. Voor het eerst werd een film voor mij een realiteit. En dat is precies de reden waarom ik uw film wil zien, hij is voor mij een levensbehoefte geworden.”

En nu schrijf ik je, Andrei. Ik bekeek De spiegel gisteravond opnieuw, in een van Amsterdam’s mooiste bioscopen. Op een glazen wand staat in grote gouden letters je naam. Er zijn ruime, donkere zalen waar fragmenten uit je films maandenlang bezoekers bezweren. In de boekenwinkel verkopen ze soepele sjaals met een beeld uit die film die je zelf als mislukt beschouwde. Het mooiste is dat ik De spiegel herzien mag hier, een 35mm projectie op een groot doek in een volle zaal. Er zijn scènes die ik dromen kan. De moeder op het hek, de brandende schuur, het slapende joch. Wonderen die ik vergeten was. De stotteraar, de gebarsten lippen, de vogel op de muts. Het voelt alsof je deze film voor mij gemaakt hebt. Die uil roept naar mij. Het water drupt recht door mijn huid heen.

Je hebt me geleerd, en je bent me, via je werk en woorden, nog steeds aan het leren, om te maken wat ik echt wil maken. Niet dat wat ik denk dat iemand anders van me wil, niet dat wat ik denk dat begrepen worden zal. Ook al is het doodeng en zal het soms geen mens bereiken. Soms zal het één mens diep raken. Daar begint het.

Sanne