Categorieën
Non-fictie

André en de anderen

André en de anderen

Het begint met een ontmoeting. Er is niks zo gewoon als dat besef. Hoe langer ik erbij stilsta, hier zittend tussen de naar shag geurende en uitpuilende mappen en dozen, des te minder vreemd het wordt dat mijn buurman mijn studieobject is geworden. Het verbaasd me keer op keer hoe we vervreemd zijn van dat wat dichtbij is – wie naast je woont. Halverwege maart vorig jaar was er een buurtfeestje een aantal schepen verderop. André was er ook. Hij had voor de jarige een potje seitan mee. Hij woonde hier al toen ik met mijn ouders bijna vijftien jaar terug naar Groningen verhuisde. Nu woon ik hier.
Ik herinner me dat ‘de buurman’ wel eens ons schip op stommelde om iets te vertellen of te laten zien uit zijn galerie. Ik moet denken aan het gesmolten gebogen bierflesje. Ik vond dat lief. De eenvoud van dat object en het gebaar hadden een grote aantrekkingskracht op me. Is het per se aan kinderen om te begrijpen dat als je iets moois hebt, je dat dan komt laten zien? Mijn ouders verstopten bij het horen van Andrés voetstappen de fles rode wijn en boden hem luid gearticuleerd een kop koffie aan. Dat vond ik raar. Waarom dronken zij niet met nadruk koffie? Tegelijkertijd heb ik rare situaties altijd vermakelijk gevonden. De volwassenen die klungelen en iets moeilijk maken wat eenvoudig is. Simpelweg raar; eenvoudigweg vermakelijk. Bovendien zie ik nu ook de diepere laag die ik toentertijd enkel aanvoelde: mensen die wat te vertellen hebben gaan op zoek naar gezelschap maar als ze geen respons krijgen wordt het verhaal stukje bij beetje afgesloten. Weggewuifd. Zo, dat was dat, fijne avond hoor. Maar verhalen bestaan bij de gratie van de vertelling en dus hebben luisteraars verantwoordelijkheden. Mijn ouders waren luisteraars als keukenwekkers, monotoon knikkend als de tikken van de teller totdat het af is. Zij leefden hun eigen afgesloten verhaal.
Deze vertelling gaat niet zozeer over luisteren maar ik moet beginnen met mijn waardering voor de situatie waarin ik me bevind. Een situatie die als vanzelf lijkt te zijn ontstaan. Toch wordt de ontmoeting vaak gegeven aan zij die opletten en openstaan. Ik sta aan het prille begin van mijn carrière als kunst- en cultuurwetenschapper maar hoe vind ik iets te onderzoeken. Het is in meerdere opzichten een eer om nu tegenover een galeriehouder te zitten die terugblikt op een levensgeschiedenis vol ervaringen met creatief ondernemen en sociaal kunstbeleid in de stad waar ik mij thuis voel. André is een centrale spil geweest in de kunstgeschiedenis van Groningen. Hij is een vertrouwd karakter in mijn dagelijks leven geworden. Het groeten op de fiets, het poolshoogte komen nemen als ik weer een project in de tuin ben begonnen en dat er de dag erna wat extra stoeptegels zijn neergelegd die ik mag gebruiken, de aanmaakhoutjes, de adviezen, de biertjes en ook de spontane soms onsamenhangende monologen zijn me dierbaar geworden. Net als in vele andere dingen is het de eenvoud van een buurvriendschap die me deugd doet. Je ontmoet elkaar, in ons geval, op het fietspad en maakt een praatje.
Het gaat André makkelijk af om van een vrijblijvend praatje over de hedendaagse politiek of een aanwijzing op het gebied van de klus die ik op dat moment aan het klaren ben over te gaan naar een persoonlijk ervaring. Dit begint met een korte stilte en dan die doelgerichte blik en een guitige lach. Hier komt de anekdote! Het werd me steeds duidelijker dat hij zo’n man is die overal bij betrokken was en iedereen kende in de Groninger kunstwereld. Het intrigeert me hoeveel ervaringen in hem geclusterd zitten en het is tijd om brutaal te worden. Waarom maak jij zelf geen kunst? Nooit gedaan? Wat maakt jou dan zo anders dan al die kunstenaars? Waarom hadden de kunstenaars iemand nodig om hun werk te kunnen verkopen? Hoezo kon jij dat beter dan anderen? André begint steeds luider te spreken en anekdotes beginnen elkaar te vinden om zo een geschiedenis te vormen. Wil ik het ene begrijpen, moet hij toch echt ook eerst het andere duidelijk maken. Deze spontane gesprekken hebben dan ook een hoog weetje-het-zit-zo-karakter.
‘Waarom sta ik dit nu eigenlijk allemaal aan je vertellen?’ Hij voelt zich betrapt. Misschien is hij bang dat hij me staat te vervelen. ‘Omdat ik weet wat ik moet vragen’, en ik vertel over mijn studie die bijna klaar is. Vervolgens vraag ik of hij open staat me meer te vertellen en daarmee bedoel ik alles wat ik wil en moet weten. Van dat idee leeft hij zichtbaar op, wat mij diep ontroert. Maar we hebben ook teveel bier gedronken. Daarna ontlopen we het onderwerp zeker een half jaar want blijkbaar gaan wij allebei niet over glad ijs.
Graven in iemands herinneringen is voor geen enkele partij vrijblijvend. André heeft echter niet zomaar een luisteraar gevonden maar iemand die baat heeft bij zijn openheid. Laat dat nu precies zijn wat zijn leven heeft getekend: het helpen van anderen. Nu zitten we een keer per maand een paar uur te praten en vervolgens ga ik terug naar huis met mijn notities en zijn archiefmateriaal. Ondertussen verblijft er al een dikke meter aan multomap bij mij aan boord.
André maakt al vroeg in zijn carrière een keuze die gevoelig ligt bij kunstenaars. Na de kunstacademie probeert hij zichzelf artistiek te ontwikkelen. Dat maakt hem niet gelukkig want hij heeft geen inspiratie of geen idee hoe hij zijn ideeën moet verwerkelijken. Slaagde hij erin iets te maken dan vindt hij het bijna altijd lelijk. ‘Het wil gewoon niet lukken’, legt hij er zich op een gegeven moment nuchter bij neer. Tegelijkertijd groeit het aantal organisatorische initiatieven van zijn hand waardoor hij ook minder en minder tijd kan steken in zijn kunstenaarschap. Andere kunstenaar helpen gaat als natuurlijk en wel met veel succes. De Nationale Vacaturebank zegt dat een galeriehouder een ‘levensgenieter’ en ‘succeswerker’ is. Dit zal ik hem eens voorleggen, wat vast zal leiden tot een hoop ironie.
Als galeriehouder zal André eigenhandig de drempel tussen makers en kopers in Groningen bewerken. Verschillende stichtingen met anti-kraak galeries volgen elkaar op en vullen leegstaande panden die Stadjers – en zij die de stad maar een beetje kennen – bekend zijn. Op de Grote Markt en het Waagplein, aan het Kattendiep, bij de Oosterhaven, in de Carolieweg en op nog veel meer plaatsen ontstaan broeinesten van kunst en kennis.
Persoonlijke passages, praktische lessen, professionele gedrevenheid en de politieke achtergrond vervlechten zich in een genuanceerd beeld van de Groninger kunstwereld – niet een autonoom elitewereldje maar door en door verbonden met de het rode karakter van Groningen. Een Vredelingehuwelijk, de kunstenaarscollectieven, al die nieuwe en tegenstrijdige subsidieregelingen, de ruzies over geld dat er nog niet eens is, verse en verslagen communes (‘van die lui van Domela’), cursussen ondernemen voor kunstenaars, lak aan de autonomie-obsessie van de kunstacademie, het overspannen raken, het vele verhuizen en het enorme aantal vrijwilligers, kunstenaars en ontwerpers stapelen zich op in mijn notitieboekje. Ik vraag mij af hoeveel er hetzelfde is gebleven maar ook wat er is veranderd want ik herken zo ontzettende veel in zijn verhalen. Dezelfde panden en dezelfde plannen spelen bij mijn programmerende, exposerende en ondernemende vrienden. Dezelfde uitdagingen, lessen, meevallers en teleurstellingen.
Ik ga op zoek naar spiegelingen en specifieke ontwikkelingen: hebben kunstenaars het nu makkelijker of moeilijker en welke invloed heeft het veranderende kunstbeleid op de expositie- en verkoopmogelijkheden van deze jonge kunstenaars? Een vraag die telkens in mij opkomt is of het wiel niet telkens opnieuw wordt uitgevonden. Daarom zet ik uiteen welke wielen de artistieke ontwikkeling van (jong) Groningen draaiende houden. Het gaat mij om een inzichtelijk beeld te schetsen van de ontwikkeling in kunstbeleid in relatie tot de alledaagse werkelijkheid van kunstenaars: arbeiders. Een situatie schetsen van de zelfstandig creatief ondernemers van toen en nu. Zo blijkt mijn eerste grote project wel heel dicht bij huis te liggen. Het is de geschiedenis van een Groningse galeriehouder maar met de herinneringen van André kunnen we dicht bij al die anderen komen die zich om hem heen hebben verzameld.
Hij kijkt me opeens streng aan. Ik word aangesproken door de nog duidelijk aanwezige leraar in hem: ‘Wat jij doet’ – hij insinueert mijn schrijven door half met zijn hoofd en half met zijn pas gerolde sigaret naar de rustende pen in mijn notitieboek te wijzen, ‘zou jij weten hoe je dat bedrijfsmatig doet?’