Categorieën
Non-fictie

Afstand

Afstand

‘Dag jongen, dan ga ik nu.’
Mijn zoon slaat zijn kleuter armpjes stevig om mijn nek en knijpt hard.
Ik duw mijn neus in zijn haren en snuif zijn geur op. Dan maak ik zijn armen los en geef een kus op zijn kruin. ‘Ik kom je vanmiddag weer ophalen, oké?’
‘Oké.’ Hij draait zich om en loopt het klaslokaal in. Met zijn hand achter zijn rug zwaait hij nog een keer, zonder om te kijken. ‘Daaaag, mam.’
Buiten prikt de zon in mijn ogen. Ik veeg een traan van mijn wang en loop naar huis.

‘Nou mam, daar ga ik dan.’ Mijn zoon gooit de deur van de geleende bestelbus dicht en loopt naar me toe. Hij slaat zijn gespierde mannen armen om me heen en knijpt hard. ‘Ik kom binnenkort nog even mijn brommer ophalen, oké?’
Ik duw mijn neus in zijn nek en snuif een keer diep in. ‘Oké.’
Na een kus op mijn kruin, laat hij me los en loopt naar de auto. ‘Daag, mam’, roept hij en steekt zijn hand hoog in de lucht, zonder om te kijken.
‘Daag, jongen.’ Mijn hand blijft halverwege steken en valt weer naar beneden.
Als de bus de straat uit is gereden, veeg ik over mijn gezicht en loop naar binnen.

We waren er beide al een tijdje aan toe, meer afstand. Na ruim twintig jaar was het de hoogste tijd om de navelstreng definitief door te knippen en elkaar los te laten.
De krapte op de huizenmarkt gooide echter roet in het eten en zorgde er voor dat de stap van mijn zoon, naar een zelfstandig leven, een lange weg werd. Een heel lang en vooral frustrerend traject, waarbij de irritaties hoog oplopen, bij beide fronten.
‘Je zit me de hele tijd op mijn nek en doet alsof ik niks zelf kan.’ Smachtend naar vrijheid en zelfstandigheid, gooit mijn zoon de deur voor mijn neus dicht en loopt met grote passen de trap op.
‘Gedraag je dan ook volwassen’. roep ik door de dichte deur, in een wanhopige poging alsnog mijn punt te maken.
De onzekere tijd die volgt is een periode waarin we krampachtige proberen, elkaar los te laten en tegelijk vast te houden. Met als resultaat dat de escalaties in hoog tempo oplopen. Op het moment dat we, qua volume en temperament, op een authentiek Italiaans gezin beginnen te lijken, besluit ik dat het hoogste tijd is voor een goed gesprek.
Het duurt even tot mijn zoon daar ook van overtuigd is, maar uiteindelijk geeft hij toe en volgt er een emotioneel, maar vruchtbaar gesprek, dat we traditiegetrouw afsluiten met een stevige knuffel. De lucht is geklaard en we kunnen weer door één deur, zonder dat deze bijna uit de sponning dendert.
Met hernieuwde samenlevings afspraken, wordt ‘hotel mama’ per direct en definitief gesloten. We spreken af voortaan als volwassenen samen te leven. De huishoudelijke taken worden verdeeld en we beloven beter naar elkaar te luisteren en volwassen te communiceren. Dat moet lukken.
We doen enorm ons best en met een enkele terugvalletje daargelaten, lukt het ons om op een prettige manier onder één dak samen te leven.
De nieuw hervonden rust wordt echter plots en wreed verstoord, als zich, in één week tijd, een betaalbaar stulpje aandient, maar ook een ontslagbrief op de deurmat valt.
Een uiterst lastige combinatie.
De economische crisis heeft zijn weerslag gehad op het bedrijf waar mijn zoon werkzaam is en zijn diensten zijn niet meer gewenst.
De hypotheekverstrekker, reageert licht zenuwachtig op dit nieuwe gegeven en draait de beloofde geldkraan dicht, nog voordat deze is geopend.
Onze volwassen afspraken zijn van schrik weer helemaal vergeten en we schreeuwen er weer temperamentvol op los. Ruzies en ‘goedmaak-knuffels’ volgen elkaar in rap tempo op.
Gelukkig vindt mijn zoon alweer snel een nieuwe baan en ook de bank bedenkt een passende oplossing voor de financiering van het felbegeerde stulpje. Het paleisje kan alsnog gekocht worden.
Het grote moment is aangebroken, onze zoon gaat uitvliegen. Hij gaat het nest verlaten.

‘Ik kom mijn brommer halen.’ Voor het keukenraam staat mijn zoon en hij wijst in de richting van het schuurtje, waar zijn heiligdom veilig staat opgeborgen. ‘Ik kom niet binnen, hé’, roept hij met zijn hand tegen zijn mond. ‘Mag niet van de minister.’
Ik kijk hem wazig aan en trek vragend mijn wenkbrauwen op. ‘Huh, van wie?’
‘Corona-regels, mam.’ Ter demonstratie hoest hij overdreven in zijn elleboog en kijkt me daarna aan.
‘Oh ja, corona en we zijn nu twee verschillende huishoudens’, mompel ik en trek een triest gezicht, om aan te geven wat ik daarvan vind.
Mijn zoon trekt ook een sip gezicht en wrijft met zijn vingers door zijn ogen. Dan loopt hij door en verdwijnt uit mijn zicht.
Snel ga ik naar de achterdeur en kijk door het raam hoe hij de brommer uit de schuur haalt en er mee het pad op loopt.
‘Hoe gaat het?’, vraag ik door de kier van de deur. ‘Ben je al een beetje gewend aan je vrije leventje?’
‘Ja hoor, gaat goed.’ Hij steekt zijn duim op en glimlacht.
‘Mooi’, antwoord ik en kijk naar mijn armen die nutteloos langs mijn lichaam hangen.
Mijn hoofd schreeuwt, dat ik mijn zoon moet vastpakken. ‘Als de Corona weer over is, komen we snel op bezoek, oké?’, hoor ik mezelf zeggen.
‘Ja, da’s fijn, antwoordt hij. Ook hij staat er wat onhandig bij. Ik zie de twijfel op zijn gezicht.
‘Klote dat we niet even kunnen knuffelen.’
‘Ja, heel vervelend.’ Ik zucht. ‘Mis je ons?’
‘Nope.’ Lachend maakt hij met zijn armen in de lucht een knuffel gebaar.
Ik doe hem na en slik.
‘Nou dan ga ik weer.’ Hij stapt op zijn brommer en start de motor. ‘Daag’, roept hij over het knetterende geluid heen.
Ik sla mijn armen om me heen en knijp hard. ‘Volgende keer weer in het echt, hé. Dit vind ik niks, zo.’
Hij knikt.
‘Daag, jongen.’ Met mijn armen nog stevig om me heen geslagen, kijk ik hem na, tot hij uit de straat is verdwenen.

‘Mamaaaa.’ Mijn zoon komt aangerend over het schoolplein en springt in mijn armen.
Ik wankel. Snel zet ik een been opzij, zodat we niet omvallen.
Met onze armen stevig om elkaar heen geslagen, blijven we even staan. Hij knijpt zo hard als hij kan. ‘Ma-ma, kreunt hij zacht.
‘Heb je me gemist.’, vraag ik.
‘Neuj, echt niet. Hij laat me los en rent voor me uit, naar huis.