Categorieën
Non-fictie

Aan moffen wordt niet verkocht

Aan moffen wordt niet verkocht

Na het acht uur journaal, drinken ze samen nog een kopje thee.
‘Vertel nog eens over vroeger, opa’, vraagt ze.
Tien jaar oud is zijn kleindochter en ze wil alles weten. De waarheid voelt zo dichtbij.
Zijn ogen glanzen donker als hij begint te vertellen.

‘Om vier uur, na schooltijd, speel ik op de stoep voor ons huis. Aan de overkant van de straat zijn werklui een muurtje aan het metselen. Over de duwboom van een handkar met zand en cement, ga ik kopje duikelen. Mijn hoofd komt op een metalen punt van de laadbak. Bewusteloos lig ik onder de wagen. Door de winkelruit van de bakkerij, ziet mijn papa het gebeuren. Hij grijpt en tilt mij naar de woonkamer.

De dokter stelpt het bloeden en wikkelt een breed wit verband om mijn hoofd.
De volgende dag loop ik trots met witte lappen om mijn kop op de stoep. Een vreemde man doet zijn hoed voor me af. Wanneer de zon schijnt, schuift Jan, de chef van de bakkerij, een zonnebril met grote glazen tussen de lappen. De bril blijft prachtig zitten. De witte kop met die zwarte glazen geeft gezag bij de andere jongens uit de buurt. Ik wil de bril niet meer missen!’

De kleindochter kan het zich goed voorstellen dat iedereen naar het jochie met die lappen kijkt. Zelf gruwelt ze van al die aandacht. Ze lacht naar opa maar die ziet niets.
Opa’s ogen sluiten zich als vanzelf als hij begint met vertellen.

‘Een week lang hoef ik niet naar school. Daarom ga ik met de pleziervaartboot van mijn vader mee naar Urk. ‘Toe maar’, zegt mijn mama als ze de deur achter mij dicht doet, ‘en ga niet met Urker Griet mee’, roept ze na. Hard ren ik de Marktgang door naar de IJsselkade.
In de verte, zie ik de boten liggen. De Insula, draait en is al bijna weg.
Het water komt omhoog en breekt open. De geur van de rivier waait naar boven.
De kont van de boot zit nog met één kabel vast aan de wal. Veel mensen genieten van de zon op het dek en duwen met hun gewicht de boot dieper het water in. Ze eten de gerookte paling van Urker Griet en gooien de vellen van de dode vis overboord. Als zilveren troep drijft het weg. Ik kijk over het woelende water naar mijn vader. Schuim spat tegen de kade.
‘Spring maar’, lacht papa. Zijn armen zijn sterk.
De bootsman staat achter mij en wacht of ik springen zal. Zijn handen om die ene kabel waarmee de boot nog vast zit. De schroef draait sneller en sneller.
Ik spring. Hij vangt. Ik voel zijn hart bonzen. Was hij bang?
Roerloos blijf ik liggen en stil kijk ik in zijn ogen. Hij lacht nog steeds’.

Even stokt zijn adem. De kleindochter schuift voorzichtig haar jonge hand in de gevouwen handen van haar opa. Opa schraapt zijn keel en vervolgt zijn verhaal.

‘Op de boot wapperen kleine kleurige vrolijke vlaggetjes. Geen rood, wit, blauw of oranje.
Het is begin mei 1942. Uit de brede gele schoorsteen komt zwarte rook.
De stoomfluit hoest een doffe stoot. De Insula vaart op volle kracht de rivier af.
‘En nu aan het werk’, zegt mijn vader en zet mij op het dek van boot.
Ik voel het stampen en denderen van de motoren. Prettig trilt het door mijn hele lijf.
Een bak met ansichtkaarten houd ik voor mijn buik en loop tussen de toeristen.
Veel vriendelijke dames en heren kopen kaarten. Ze geven ruime fooien. Ze vinden mij een schattig ventje. Duitse soldaten willen ook mijn kaarten kopen. Ik schud mijn hoofd en zeg dat er aan moffen niet wordt verkocht. De kok uit de kombuis hoort het en neemt de kaartenbak over. De soldaten geven snoepjes en aaien over mijn lappenkop.
‘Hast du weh?’, vragen ze.
Vóór hen in een hoek van het zonnedek staan hun geweren.

Opa doet één oog open en peilt zijn kleindochter. Hij hoopt dat ze de ironie voelt.

‘Een dag later is het maandag en is er markt. Het carillon hoog in de toren speelt zijn maandagrepertoire. Vroeger stond het marktplein onder de toren vol met kraampjes. Vrolijk tuimelden de klanken van de klokken over de huizen. Mensen praatten, lachten en liepen met grote boodschappentassen. De marktkooplui prezen hun waren aan. De groenteman schikte de groente dat ze straalden van gezondheid. Toen stak de bezetter de grens over.
Ze verboden de beiaardier vaderlandse liederen te spelen. Duitse soldatenliederen moest het carillon tingelen. “Wenn die Soldaten durch die Stadt marschieren öffnen die Mädchen die Fenster und die Türen. Ei warum, Ei darum”. Op de markt lopen nu sombere mensen.
Er wordt niet meer gelachen en de boodschappentassen zijn klein.

Opa neuriet de duitse woorden nogmaals binnensmonds, zucht en zakt dieper de bank in.
‘Opa?’
‘Ja’ antwoordt hij en drukt zijn kleindochter iets dichter in zijn wollen trui.
‘Wil je verder vertellen?’

‘Van mijn moeder mag ik met de beiaardier mee de toren op. Boven op de toren tuur ik tussen de zuilen van de balustrade naar beneden. Mijn kleine handen krijgen moeilijk houvast aan de brede steen. Als ik de diepte in tuur, word ik duizelig. Ver beneden hoor ik het stampen van laarzen van een colonne duitse soldaten.
Over de daken van de huizen zie ik mijn moeder op de binnenplaats waar we wonen. Ze hangt de was op. We zwaaien naar elkaar. Ze staat alleen. Papa is niet meer thuis. Die is al een paar dagen weg. Ik mag niet weten waarheen. Naar Eindhoven zeggen mijn tantes.
Maar hij is in Amsterdam en zal nooit meer terug komen’.

Weer is opa even stil. ‘Verdomme, waarom heeft mijn vader zijn vrouw en kinderen in de steek gelaten, denkt hij. Hij zegt het niet hardop en is al drieëntachtig.
Luider hervat hij zijn geschiedenis.

‘Dan valt mijn oog op een man die steeds een blokje om ons huis loopt.
Door de Karpersteeg naar de IJsselkade en via de Houtzagerssteeg met het smalle middenpad, weer terug.
Mijn moeder merkt zoiets direct op. Ik blijf wachten totdat hij voor de derde keer onze straat in loopt en vaart vermindert. Zijn gestalte met die lange jas en hoed herken ik ergens van.
Het voelt niet goed. Mijn benen beginnen te tintelen en worden week. In mijn buik vormt zich een bal die te groot voelt om te dragen. Op de binnenplaats van ons huis zie ik mijn moeder niet meer. Ze is vast naar binnen. Ik moet naar huis.
Als ik de eerste treden omlaag neem en via het smalle torenraam weer zicht krijg op ons huis zie ik een duitse overvalwagen met soldaten onze straat in rijden.
Ze springen van de wagen en bonken met de kolf van hun geweer onze deur open en stormen schreeuwend naar binnen. Ik vlieg de trap van de toren af, de straat op.
Struikelend ren ik de bakkerij in. Leeg. Dan de trap op naar ons bovenhuis. Overal zijn soldaten. Waar is mama?
Kasten en gesloten deuren breken ze open met hun bajonetten. Ze doorzoeken het hele huis. In een kamer apart zit mijn moeder. Naast de gesloten deur zit mijn broer tegen de muur.
Angstig kijk ik naar de deur. Er wordt hard geschreeuwd. Het blijft ook lang stil.
Duitse soldatenliedjes tingelt het carillon op de achtergrond in de stad.

De volgende dagen en nachten dringen de soldaten nog een paar keer het huis binnen.
Op zolder slaap ik met mijn broer. Ook daar gaan de soldaten naar binnen. Ze roepen ‘Kindergarten’ en stommelen de trap weer af. De volgende ochtend zijn ze er weer.
‘Wo ist der Vati?’ vragen ze meerdere keren. Ze vinden hem niet.
Uit de winkel grijpen ze chocolade en koeken en nemen het al etende mee.
Als de soldaten weg zijn loopt die man weer tegenover hun huis.
Hij doet zijn hoed niet meer af’.

Woede welt in hem op. ‘Genoeg voor nu, morgen vertel ik verder’ zegt hij zacht tegen zijn kleindochter. Oma brengt haar naar bed. //