Categorieën
Non-fictie

27 september 2017

De eerste keer dat ik verliefd op je word, is op het feestje van je verjaardag. Achttien jaar, word jij die dag. In een huis in de stad, een huis die niet de jouwe is, vier jij het. Het huis is van een vriendin of een studiegenoot of iemand die je eens eerder op een feestje hebt gezien. Zij is ook jarig, reden genoeg om het samen te vieren. Het is een week eerder dat jij mij vraagt om ook te komen. We zitten op ons vaste bankje, die eventjes na de ingang van het park staat. Soms als wij daar zijn verdwijnen wij in al het groen, en lijkt het gras zo hoog te zijn, dat het als onze schuilplaats voelt. Nu is het gras net gemaaid en voelt het alsof we op het verkeerde bankje zitten. ‘Kom ook, Lot’, je lacht naar me. Ik kijk weg als je het vraagt. ‘Kom nou een keer, toe’, nu smeek je bijna. Jouw oranje haren gloeien meer nu de zon schijnt, zij lijken onderdeel van haar te zijn. Ik aarzel even. ‘Maar ik ken daar niemand.’ Jouw glimlach wordt breder. ‘Je kent mij toch.’ Op het bankje kras je met je sleutel wat. Ik haal stukjes weggebrand hout weg. Het is stil. Er lopen twee mensen langs met een hond, als ik begin te praten. ‘Oké’, antwoord ik. Je trekt jouw wenkbrauwen op. ‘Oké?’, vraag je enthousiast. ‘Omdat je jarig bent.’

Ik herinner me de straten, die zelfs in de donkerheid van de nacht te herkennen zijn. Smalle straten waar het wemelt van auto’s en slecht geparkeerde fietsen. Hoge huizen, waar de lichten uit zijn, ik hoor muziek, jongeren die gillen en schreeuwen. Als ik mijn fiets tegen een boom neerzet, rennen twee mensen het huis uit waar ik moet zijn. Zij huppelen en dansen achter elkaar naar een speeltuintje voor een basisschool. Ik herken ze niet, ik herinner me dat ik niemand ken. Waarom ben ik hier? Een voelbare aarzeling nestelt zich in mijn lijf, mijn gedachten zijn een chaos en mijn vingers tikken de woorden die ik denk. Ik wil naar huis. De muziek klinkt luider naarmate ik dichterbij het huis kom. Ik wil naar huis. Mijn vingers laten de woorden los en ik bel aan. Jij glimlacht als je me ziet. Geeft mij een knuffel en een vlugge kus op mijn wang. Grinnikt als je naar mijn outfit kijkt. ‘Wat is hier seventies aan?’ Met mijn grijze vest verberg ik mijn zwarte shirt, maar ik heb niets om mijn grijze vest mee te verbergen. ‘Ik las het ja, dit is toch prima?’, je lacht harder. ‘Nee Lot, zo makkelijk kom je er niet van af.’

Ik stamel dat het van mij niet zo hoeft en een grijs vest toch van alle tijden is. ‘Dat zou niet zo mogen zijn’, je pakt mijn hand en neemt mij mee de trap op. Het is een steile trap dus het loopt wat onhandig zo samen, één keer struikel ik bijna, mede omdat ik zo onhandig ben. We lopen door de eerste deur die we boven zien en je laat mijn hand los. Uit je tas pak je een oranje blouse met streepjes die je vaak draagt. Ik aarzel. ‘Doe dat vest uit’, je mondhoeken bewegen zich omhoog, ‘nu’ vervolg je. ‘En dat shirt ook.’ Uiteindelijk sta ik enkel in mijn bh. ‘Het is koud’, zeur ik. ‘Kom’, zeg je. Je brengt beide mouwen om mijn armen. Je maakt de knoopjes voorzichtig dicht, bij het eerst knoopje dat je sluit, raakt jouw hand mijn huid. Het stukje huid tintelt en wordt warmer. Mijn vingers hebben de neiging opnieuw woorden te schrijven. Raak me aan. Bij het tweede knoopje raak je mijn huid opnieuw. Ik tel de knopen. Het zijn er zeven. Het voelt eerder alsof jij mijn bloesje opendoet. Derde knoopje. Vierde. Raak me aan. Vijfde. Bij de zesde stop je even. Ik kijk je aan. Jouw haren schijnen zelfs nu de zon er niet meer is. Jouw hand raakt opnieuw mijn huid en je sluit de zesde en de zevende. ‘Zo’, zeg je trots. ‘Dit staat toch veel beter’, ik geloof je zonder het zelf te zien.

In mijn eentje neem ik later plaats op een bank waar niemand zit. Ik bekijk mijn biertje, bekijk de mensen die dansen en probeer een nonchalante houding aan te nemen. Te laten zien dat ik goed zit hier zo, alleen op deze bank in een kamer waarin een ieder danst of lacht of rookt. Deze houding neem ik enkele minuten aan, totdat iemand anders naast mij komt zitten. Het is een vriend van jou, blijkt al snel. ‘Hoe ken je haar?’, schreeuwt hij door de muziek heen. Ik kom dichterbij hem zitten en fluister in zijn oor: ‘Van school’. Hij knikt begrijpend. Hij vertelt dat hij een paar keer met jou op date is geweest. ‘Maar, ze kan helaas niet op mij vallen’, hij zet met zijn handen zijn gezicht in de belangstelling. Ik kijk naar zijn licht getinte huid, zijn wenkbrauwen waar vele haren bij ontbreken en zijn donkere ogen. Ik knik begrijpend. Hij vertelt mij waar hij woont. Niet vaag of kort, maar heel uitgebreid en expliciet. Hier doet hij twintig minuten over. In die tijd heb ik een extra biertje van hem gekregen. En een derde en een vierde. Hij vraagt mij niet waar ik woon.

Uiteindelijk sluit ik mij aan bij de groep dansenden. Gezichten herken ik niet, maar ik ben volledig onderdeel van hun danscirkel. Deze verdwijnt gelukkig al gauw, uiteindelijk dansen wij meer alleen. Ik herinner me een sigaret die mij aangeboden word. Jouw handen die hem mij geven. ‘Daar ben je’, je glimlacht. ‘Je hebt Tim ontmoet’, ze wijst naar de bank waar de jongen zit. Ik knik. ‘Ik weet waar hij woont’, je lacht.

Je pakt de sigaret terug en neemt een hijsje. ‘Kom mee naar buiten’, fluister je. Op een bankje voor de basisschool nemen wij plaats. Je zit dicht bij mij, het is koud, het is ook al september. Omdat ik zo onhandig ben dat zelfs het aansteken van een sigaret mij moeite kost, doe jij dit voor mij. De tijd verstrijkt terwijl wij woorden uitwisselen. Vaak vraag jij mij dingen die ik helemaal niet wil vertellen. Hoe ik mij nou echt voel, wat ik wil, nu en later en of ik masturbeer. Om dat laatste lach ik. Je vraagt mij of ik ooit met een meisje heb gezoend. Ik sla jou zachtjes op jouw been. ‘Nee’, zeg ik zacht. ‘Misschien is het daar eens tijd voor’, zeg je resoluut. ‘Misschien’, zeg ik zacht.

Je pakt mijn bril, vouwt deze dubbel en laat deze aan jouw blouse hangen. Ik aarzel. Jij niet, jij aarzelt nooit. Voorzichtig zoen je. Jouw lippen raken die van mij en het voelt alsof zij samen dansen. Mijn handen hou ik gebrekkig op mijn schoot. Jij streelt mijn rug. Jouw lippen raken nu mijn hals en daar geef je mij kleine kusjes. Nu streel ik ook jouw rug. Onze lippen raken elkaar opnieuw aan en na een tijdje is het goed. ‘Oké’, zeg ik. Jij lacht. ‘Nu heb je ook eens met een meisje gezoend’. En met wat voor één. Opnieuw steek jij onze sigaretten aan. De minuten, uren verstrijken en wij roken het pakje op. Uiteindelijk klinkt de muziek niet meer. De mensen van het feestje verlaten het en zoeken met groteske en bezopen bewegingen hun fiets. ‘Kom’, zegt ze.

Als ik mijn fiets gevonden heb, kijk ik nog even hoe jij mensen bedankt, begroet en knuffelt. Sommigen van hen schreeuwen door de straten met de hoge huizen, anderen verlaten het gebeuren in stilte. Ik zeg Tim gedag, hij zwaait wild en knuffelt me overdreven lang. ‘Was heel leuk om jou ontmoet te hebben’, schreeuwt hij. Ik knik begrijpend. Jij loopt naar me toe en geeft me een lange knuffel. ‘Tot ziens’, fluister ik.

Gedurende de weg terug naar huis fiets ik zachter dan nodig, ik haast mij niet. Het liefst fiets ik vele rondjes om de stad en blijf ik buiten. Zachtjes begint het te regenen, de regendruppels raken mijn huid. Raak me aan. Mijn vingers maken dezelfde woorden. Raak me aan. Ze glijden over mijn neus en bedekken mijn bril, maar het liefst laat ik mijn zicht zo verslechteren dat ik verdwaal. Ik wil niet dat de avond stopt. Dat het morgen wordt en dit alles slechts een herinnering is. Dat onze eerste kus in vergetelheid raakt en onze eerste aanrakingen alleen voor mij betekenisvol blijken te zijn. Raak me aan. Ik denk aan hoe je naar me lachte, hoe je mijn hals kuste, hoe jouw haren gloeien als jij op ons bankje zit in het park. Verliefd zijn. Verliefd worden. Ik ben vergeten wanneer het begonnen is, misschien al veel eerder. Ik weet enkel dat ik het op jou geworden ben. En met die gedachte, meer dronken door de liefde dan door de drank, fiets ik naar huis.