Categorieën
Fictie

Zonder twijfel

Gerben moest kiezen tussen een kerstboom kleien of een winterdorp tekenen. Alle andere kinderen hadden al gekozen en waren druk aan het werk
‘Gerben, als je blijft twijfelen wordt het nooit wat.’, zei de meester. ‘Stel je voor dat ik de hele tijd zou twijfelen. Dan zouden alle lessen mislukken.’
Gerben schrok. Hij wist niet dat twijfelen zo erg kon zijn. Hij pakte een stuk klei uit de emmer en liep naar zijn tafel. Daar begon hij meteen te kleien, voordat hij zich weer kon bedenken.
Aan het eind van de middag was de boom af, maar Gerben vroeg zich af of hij niet beter een winterdorp had kunnen tekenen. Thuis hadden ze immers al een echte kerstboom, maar nog geen winterdorp. Hij besloot het voor de zekerheid nog even aan de meester te vragen.
‘Wat heb ik je net verteld!’, riep de meester. Hij klonk boos. ‘Twijfelen helpt niets. Je hebt nu een kerstboom. Klaar. Wees er blij mee. Ik kan mezelf ook wel afvragen of ik wel meester had moeten worden. Ik moet dag in dag uit van die stomme vragen beantwoorden. Maar ik ben nu eenmaal meester. Twijfelen heeft geen zin meer. Klaar.’
Gerben begon te blozen. Hij wilde sorry zeggen maar de meester praatte door.
‘Als je alleen twijfelt kun je net zo goed de hele dag in bed liggen. In beide gevallen bereik je niets! Is dat soms wat je wilt Gerben?’
Gerben wilde niet niets. Hij wilde het hele bos ontdekken. Dan kon hij zijn kaart afmaken. Net zoals een ontdekkingsreiziger.
‘Nee.’, zei hij hardop. Hij wist niet zo goed wat hij verder tegen de meester moest zeggen.
‘Goed zo.’
Daarna draaide de meester zich om en deed de kerstmuziek uit.
‘Luister allemaal! Het is tijd om op te ruimen en daarna is het vakantie! Daar hebben we allemaal vast heel veel zin in.’

De vakantie werd feestelijk ingeluid door grote sneeuwvlokken.
‘Ik ga thuis een sneeuwpop maken!’, riep een klasgenoot blij. ‘Wat ga jij doen, Gerben?’
‘Ik weet het nog niet.’, antwoordde Gerben. Er waren zoveel dingen om te doen. Het was moeilijk kiezen. Toen dacht hij aan meester.
‘Nee, ik weet het wel. Ik ga het bos ontdekken. Doei! Fijne vakantie!’
Gerben rende zo snel als hij kon naar het bos. Als hij niet ging, kon hij net zo goed in bed gaan liggen.

Eerst liep Gerben door het deel van het bos dat hij allang op de kaart had gezet. Ik kan alle nieuwe ontdekkingen een kerstnaam geven, dacht Gerben. Het was immers kerstvakantie. Namen als Kerstheuvel of Kerstgrot. Zo was dat ook gegaan toen Paaseiland werd ontdekt.
Na een tijd lopen kwam hij bij het verste plekje dat hij ontdekt had: het Vincent Ven (vernoemd had naar zijn opa). Hier bleef hij staan. Het begon al donker te worden. Te donker om te ontdekken? In het donker kon je verdwalen. Gerben keek over het bevroren ven en dacht na. Misschien kan ik beter naar huis gaan, maar dan ben ik hier voor niets gekomen. Niet twijfelen! Ik heb nog een fietslampje in mijn tas. Dat geeft niet zoveel licht, maar als ik verdwaal, volg ik mijn voetsporen in de sneeuw terug . Daarop liep Gerben het onbekende bos in.
Enthousiast rende Gerben de nieuw ontdekte heuvel op. Wat een mooie vondst! Op de top van de heuvel lag een enorme zwerfkei. Het kon niet beter: de Kerstkei! Na alles goed bekeken te hebben, wilde Gerben zijn vlag planten. Zo hoorde dat als je iets nieuws ontdekte. Hij zocht in zijn tas, maar vond geen vlag. Wel had hij de gekleide kerstboom. Dat past goed bij een kerstontdekking, dacht hij. Gerben plaatste de kersboom op de Kerstkei en ging vervolgens onder de beschutting van de enorme steen zitten. Hier kon hij alles op de kaart zetten. Hij haalde de kaart voorzichtig uit zijn tas en begon te tekenen bij het licht van zijn fietslampje. Toen hij klaar was en de kaart weer opborg, was het donker.
Zal ik nog verder ontdekken of naar huis gaan? Het is donker en ik heb honger, dacht Gerben. Maar er is nog meer te ontdekken. Niet twijfelen! Gewoon naar huis. Hij was trots op hoe goed het niet twijfelen ging.
Gerben zocht naar zijn voetsporen, maar vond ze nergens. Die waren natuurlijk ondergesneeuwd. Hoe kan ik nu terug? Gerben dacht dat hij wist in welke richting het Vincent Ven lag, maar wist het niet zeker. In het donker leek het bos overal hetzelfde. Niet twijfelen! Gewoon die kant op. Vastberaden liep hij terug. Hij had nog maar een paar passen gezet toen hij iets tegen zijn voet voelde, voorover viel, en van de heuvel af tuimelde. Hij hield zijn handen vooruit om te voorkomen dat hij met zijn gezicht tegen een eik botste. Het lampje in zijn had brak. Het was nu pikkedonker en Gerben had geen idee aan welke kant van de heuvel hij lag. Wat moet ik nu? Zo diep in het bos komt nooit iemand om me te helpen. Het staat nog niet eens op mijn kaart. In elk geval moet ik blijven bewegen, anders vries ik dood.
Na enige tijd lopen, wist Gerben nog steeds niet waar hij was. Hij was moe en had honger. Blijven bewegen! Er kwam een geluid van voren. Een gevaarlijk dier? Gerben verstopte zich achter een boom. De voetstappen kwamen dichterbij. Tot zijn verbazing was het een vrouw. Er woont een nog onontdekt volk in het bos!, dacht Gerben. Ik ben de eerste die het Kerstvolk ontmoet! Het kan een gevaarlijk volk zijn. In dat geval kan ik beter verstopt blijven. Maar misschien is dit de enige kans om het Kerstvolk te ontmoeten. Niet twijfelen!
Gerben sprong achter de boom vandaan.
‘Hallo, ik ben Gerben en ik kom in vrede.’
De vrouw schrok van zijn plotselinge verschijning. Gerben bedacht zich dat het Kerstvolk een andere taal sprak. Daar had hij even niet aan gedacht. Hij wees naar zichzelf.
‘Gerben.’, zei hij.
‘Hallo Gerben. Sorry, ik schrok even.’, zei ze. ‘Moet je niet thuis zijn bij je ouders?’
Gerben was te verbaasd om te reageren.
‘Ik ben Judith. De boswachter.’, ging ze verder. ‘Het is gevaarlijk in het bos als het donker is. Waar woon je? Wie kan ik bellen?’
Hoe kon Judith van het nog onontdekte Kerstvolk Nederlands?, dacht Gerben. Het is onmogelijk dat het Kerstvolk toevallig dezelfde taal heeft bedacht. Natuurlijk! Judith is nep. Omdat ik moe en hongerig ben, zie ik dingen die er niet zijn. Of kon er echt een boswachter zo diep in het onontdekte bos komen? Nee, daar moet ik niet aan twijfelen. Desondanks beantwoorde Gerben de vragen van de boswachter. Als ze nep was, maakte het toch niets uit.
‘Wat doe je in het bos, Gerben?’, vroeg de boswachter nadat ze opa had gebeld om te zeggen er niets ergs was.
‘Ontdekken. Ik heb al veel van het bos op de kaart gezet.’
‘Wat goed, maar kun je dat niet beter overdag doen?’
Omdat Judith nep was, konden ze net zo goed een gek gesprek hebben. Dat leek Gerben een keer leuk.
‘Heeft een bosmuis weleens geroepen: Boswachter! Grijp die gemene bosuil en breng hem naar de gevangenis?’, vroeg Gerben daarom.
Judith keek Gerben bezorgd aan.
‘Hoe lang ben je al in het bos, Gerben?’, vroeg ze in plaats van zijn vraag te beantwoorden.
‘Sedert onheuglijke tijden.’, Gerben had dat een keer ergens gelezen. Hij wist niet precies wat het betekende, maar hij vond het grappig klinken.
Ze kwamen bij een bospad met een geparkeerde auto.
‘Stap maar in Gerben. Dan breng ik je thuis.’
‘Nee, ik moet blijven bewegen. Als ik stil ga zitten in die nepauto, ben ik eigenlijk ergens in de sneeuw en bevries ik.’
Gerben draaide zich om en rende weg. Anders ging hij twijfelen en dacht dan misschien dat de auto toch echt was.
Judith pakte haar telefoon terwijl ze probeerde Gerben te volgen.

Door hard te rennen wist Gerben van de boswachter af te komen. Hij had niet opgelet waar hij naartoe was gerend, maar het leek erop dat hij dicht bij het Vincent Ven was. Plotseling hoorde hij een bekende stem.
‘Volgens mij zag ik hem.’, zei opa. ‘Gerben ben je daar?’
Gerben stapte naar voren.
‘Hij is hier.’, zei opa en stopte daarna zijn telefoon weg. ‘Hallo Gerben.’
‘Je bent toch niet nep?’, vroeg Gerben.
‘Ik hoop ik niet.’, zei opa.
‘Wat doe je dan in het bos?’, vroeg Gerben.
‘Ik kwam even bij mijn ven kijken. Zou jij dat niet doen als je een eigen ven had?’
Gerben knikte. Daar twijfelde hij niet aan.
‘Je was zeker aan het ontdekken vandaag?’
Gerben knikte.
‘Ik heb de Kerstkei ontdekt!’, riep hij enthousiast.
‘Dat is mooi, jongen. Dan kun je die morgen laten zien. Voortaan is het beter om niet in het donker te gaan ontdekken. Iedereen is ongerust thuis.’
‘Daar zal ik niet meer over twijfelen.’, zei Gerben.
‘Kom dan gaan we naar huis.’, zei opa.
Daarop verlieten ze het bos.