Categorieën
Fictie

Zondagskinderen

Op de helderste der helderste zondagnamiddag wachtte ik, leunend tegen een paal in de punt van Brooklyn, op Jacob. Het is een deel van Brooklyn waar ik zelden of nooit kom.
Jacob lijkt op een visser vandaag. Een visser met een blauwe, gebreide trui en blauwe ogen. Hij eet alleen vis wanneer hij bij zijn ouders in North Carolina is. Zijn ouders wonen aan de oceaan en hij doet er zijn jaarlijkse portie proteïne op.
Jacob vraagt hoe het gaat en ik antwoord dat schrijven tegenwoordig voelt als het opruimen van mijn kamer. Ik vertel hoe ik als kind zelden buiten mocht spelen. Wanneer de buurkinderen aanbelden, zeiden mijn ouders dat ik naar buiten zou komen wanneer mijn kamer was opgeruimd. Mijn kamer raakte nooit opgeruimd. Tijdens het opruimen, maakte ik nieuwe rommel en altijd waren er dingen waarvan ik niet wist waarheen. Ook waren er de verborgen dingen die nooit opgeruimd konden worden. Het was eindeloos. Mijn ouders konden het niet aanzien en vonden het pijnlijk dat ik zo weinig buiten speelde. Wanneer het te lang duurde, gebeurde het dat mijn vader hielp. Mijn moeder kon het niet. Zij zou haar ogen naar de hemel slaan en zich afvragen waaraan ze dit verdiend had.

Ik was te snel gegaan. Jacob zag niet hoe schrijven kon zijn zoals het opruimen van een kamer. Ik probeer het te verduidelijken en in mijn uitleg gebruik ik onder andere woorden als ordenen, vergelijken, klasseren, bundelen en deprimerend. Jacob knikt en vertelt dat hij een administratieve job aangeboden kreeg op de school waar hij nu naschoolse bibliothecaris is. Hij denkt op het aanbod in te gaan.
Jacob vindt dat ik te veel binnen zit. Dat ik meer buiten moet komen. Naar musea moet gaan bijvoorbeeld. We veranderen van locatie en installeren ons in een theehuis waar mensen niet naar het toilet mogen. Hier doet Jacob me denken aan een muzikant die net als hij uit het Zuiden komt. Ik vertel het hem en hij is geflatteerd. We spreken over boeken, schrijvers uit het Zuiden en segregatie. Jacob vervalt in een saaie monoloog en ik luister pas weer echt wanneer hij spreekt over een boek van William Faulkner. Samengevat gaat het over een man die zichzelf zo hard haat (onder andere omdat hij gelooft dat hij zwart bloed heeft), dat hij zijn geliefde vermoord. Pure onversneden zelfhaat. Ik vertel Jacob niet dat de verhalen van blanke schrijvers uit het Zuiden zoals Faulkner, Carson McCullers en Flannery O’Connor eigenlijk weinig onthullen over de zwarte medemens maar vooral veel over het perspectief en de gemoedstoestand van de blanke schrijvers zelf. Dit wist ik van David die het had van Lorraine Hansbury, een schrijfster en activiste die in 1965 stierf op haar 34 ste.

Die avond zou ik helemaal terug naar Manhattan wandelen en uitgeput in de toren toekomen met de conclusie dat Jacob vermoedelijk toch niet door de Goden gezonden werd en dus ook geen test van God is. In den beginne leek Jacob veelbelovend. Zou zij, Hannah, na al die veldslagen, nu de man vinden? En met hem een eenvoudig, maar spannend leven beginnen?
En hield de test in dat ze zich daaraan zou overgeven? Zou ze durven een stap te zetten weg van David? Of hield de test in dat ze dwars door de mooie man kon kijken, hem zou weerstaan en bewijzen dat ze werkelijk van David hield. Om de juiste redenen.
Indien dit het geval was, dan had God vakantie nodig. De ware test van de Goden zou niet helemaal duidelijk zijn. Goden geven niets gratis. ‘Ook niet als je zelf een geschenk van de Goden bent.’ Die laatste zin heb ik van de oude Joodse bakker op Second Avenue wiens winkel niet meer bestaat.
Een ander mogelijk scenario dat weinig met god te maken had was dat ze nog snel zou slapen met alle mannen van de stad om vervolgens in het dorp te trouwen met David.

Dat laatste scenario hield me soms wakker. Of haalde me uit mijn slaap, hoog in de toren. Zwetend werd ik wakker. Ik beeldde me in hoe ik alle mannen van de stad zou doen. Niet alle mannen, maar alle mannen die ik wilde. Samen met die gedachte werd ik overvallen door preventieve schaamte voor de portiers in de inkomhal. Jude, de eerste persoon die ik in deze stad leerde kennen, vertelde me ooit dat mensen hier alleen naar elkaars huis komen om met elkaar te slapen. ‘Slapen in de zin van seks, hé Hannah.’ Jude was de enige die ik in het appartement liet. Hij wou het uitzicht zien. Hilma’s appartement heeft een 270 graden uitzicht. Je kan bijna alle ‘landmarks’ zien.
‘Dat is geld waard, Hannah.’
Ik had er nooit bij stilgestaan. De toren was de toren en de toren had voor mij weinig met geld te maken. En met seks nog minder. Het was Hilma’s toren en ik moest voor de toren, de dertig jaar oude plant en mezelf zorgen.

Hannah, Hannah en wat met seks met David? Hadden jullie eigenlijk wel seks en hebben jullie nog seks, bijvoorbeeld wanneer je daar, in het houten huis in de vallei bent? Hoe zit het daarmee?
Wel, aanvankelijk was seks met David een goed departement. Het was zodanig goed dat ik er niet over nadacht. Niet in het algemeen en niet in het moment. Dat ik hier zo zeker van ben, komt door een gesprek waarin mijn vroegere buurvrouw raad vroeg voor de houterige toestanden in haar departement. Door dit gesprek voelt het alsof ik bewijs heb. Ik herinner me dat ik in het gesprek seks omschreef als een bewegende vlek. Wanneer de vlek vervaagt, is de tijd voorbij gegaan. Omdat de vroegere buurvrouw een mannelijk perspectief wenste op haar situatie, werd David erbij betrokken. Zijn hoofdconclusie was dat haar toenmalig lief een sukkel was. Vandaag lijkt David in het land waar zij was beland te zijn. Daar waar niets vloeit en angst regeert. De vroegere buurvrouw is nu niet meer daar. Op de rug van een jeugdig nieuw lief sloeg ze erin aan de overkant te geraken. Toen tijdens mijn vorige bezoek onze lippen, gedrenkt in natuurlijke wijn waarvan we niet zeker waren of het speciale of slechte was, elkaar raakten, weende hij. ‘Seks bestaat niet meer’, zei hij. ‘Seks is ergens anders.’
Eigenlijk begon het al te stroppen die laatste winter. Er was iets veranderd. Hij wou niet meer ‘s morgens maar kon wel op klaarlichte dag ineens ‘laten we seks hebben’ zeggen. Wat volgde, was mechanisch. Tijdens een telefoongesprek een paar weken geleden beschreef ik het als ‘architecturaal’ omdat ik dat minder pijnlijk vond.
De laatste keer dat het nog eens was als voorheen, zacht, hard, wild en onbestemd, was op nieuwjaar ochtend vorig jaar. Er hing zilverpapier in mijn haar. Hij had het er de avond ervoor ingevlochten voor het feest. Het thema was ‘spaceship’ en alle gasten kregen bij het binnenkomen een stuk zilverpapier.

Jacob is geen David. Ook geen Jude.
Misschien is Jacob een Zondagskind. Ik kan veel leren van Zondagskinderen. Tegelijkertijd hebben Zondagskinderen hun eigen tragiek. Ik weet niet goed welk kind ik ben. Dat komt door een doek dat achttien jaar lang in mijn slaaphanger hing en Hilma cadeau deed bij mijn geboorte. Volgens het kinderrijmpje op het doek, dat geproduceerd en verkocht werd ten voordele van de Ierse Stichting der Blinden, zullen Woensdagskinderen ver weg trekken.
Wednesday’s child has far to go
Het leek helemaal uit te komen. Het Woensdagskind strekte haar vleugels uit en vloog over de oceaan. Toen ik het volledige rijmpje wou opzoeken voor David, die het niet kende en wenste te weten wat voor kind hij was, stelde ik vast dat in alle versies, of het nu Iers, Brits of Amerikaans was, het Woensdagskind vol verdriet zat.
Wednesday’s child is full of woe