Categorieën
Fictie

Zondagochtend, Appelscha

Zondagochtend, Appelscha.

Jezus kijkt op ons neer vanaf het gebrandschilderde raam. Daaronder staat voor de kansel een vrouw met een stokje. Daartussen een groep mannen in vreemde kledij. Zij staan ook en kijken naar het stokje. Publiek en vrijwilligers zitten. Romke en ik en Jezus, ook wij zitten en kijken verwachtingsvol. Het is feest in het kerkzaaltje. Op de deur is met leukoplast een papier geplakt:
‘Vrijdag dienst met dominee Heideboer. Rollators en rolstoelen vrij beschikbaar.’
Maar dat is vrijdag. Vandaag is er geen dienst. Vandaag wordt er niet gehaald en gebracht. Vandaag is zondag. Vandaag wordt er uitgedeeld. Koffie, suikerbrood en jenever. Het piratenkoor uit Nijeholtpade treedt op.
“Wilt u een kop koffie met suikerbrood?” vraagt een vrijwilligster. Ik ken haar van eerdere optredens van de piraten. Romke kent haar ook. Hij knipoogt.
“Direct maar naar de jenever,” zegt hij, “met een snee sukerbolle.”

“Een verzorgingshuis is geen plek voor zwakkelingen en kneuzen,” zegt zuster Tjitske.
“Alleen de sterksten redden het hier. Je hebt kracht en doorzettingsvermogen nodig, die alleen de alleroudsten hebben. De jeugd overleeft hier niet.”
“U bent een bevoorrecht mens, zuster, de hele dag in contact met sterke onbreekbare karakters als ik.”
“U lijdt aan zelfoverschatting meneer Holkama,” zegt ze, “U hebt geen handen, u lijdt aan hartfalen, aan longemfyseem, u ligt dag en nacht aan de zuurstof, u hebt suikerziekte, het rusteloze benen syndroom en wellicht apneu. Ik zou u beklagenswaardig moeten vinden.”

Zuster Tjitske sluit de nieuwe zuurstoffles aan en zet hem in de rollator zodat hij er in staat als ik vertrek. Ze heeft me vroeg gewekt. Het is de tijd van de dag dat de zon opkomt. Zo vraagt zuster Tjitske nu of ze de zonwering zal laten zakken. Van mij hoeft dat niet, het leidt tot veel gedoe en wat kan dat licht mij schelen? Ik zit altijd met de rug naar het raam en veel meer dan zitten doe ik niet.
“Laat maar zakken,” zeg ik. Ik heb andere dingen te doen. Het is zondag en nu de dominee niet meer preekt op die dag doe ik zelf de overdenking. Met het hoofd uit het hoofd. Dominee overdenkt met z’n handen, hij schrijft op wat hij denkt en dan leest hij het voor. Ik niet, ik heb geen handen. Ik schrijf met mijn gedachten. Het zijn de wolkjes in een stripverhaal. Blauwe wolken. Mijn overdenking is niet blijvend. Het zijn wolken die wegdrijven, maar ik stuur ze: ik dwing ze naar de donkere hoek van de kamer, daar waar op het melkkrukje de begonia staat. Ik laat mijn wolken achter de begonia verdwijnen.
“Zal ik u nu eerst wassen?” vraagt zuster Tjitske. Ze kijkt me aan. Ik kijk terug.
“Weet u, nu buurvrouw Idske dood is heb ik moeite met mijn gevoelens, zo zonder handen snapt u, ik mocht altijd de handen van buurvrouw Idske gebruiken, misschien dat zuster onder het wassen..”
Maar ze onderbreekt me midden in de zin.
“U weet dat ik daar niet op in kan gaan, u kent het beleid van de directie in dezen. Het is zorgpersoneel niet toegestaan cliënten terzijde te staan in hun al dan niet terechte al dan niet seksuele noden. Het is buitengewoon onbevredigend, ik weet het.” Inderdaad, zo is het.
“Ik heb niemand meer en alleen kan ik het niet. Ik heb geen handen.”
“In het kabinet met hulpmiddelen ligt van alles, het nieuwste van het nieuwste, voor tegen de badkamermuur, zelfklevend, je hebt er geen omkijken naar. Zal ik er één installeren voor u?”

“Ik dacht het niet,” zeg ik, “Smeer me liever een boterham met dikke boter en een homp nagelkaas.” Zuster Tjitske komt ‘s ochtends altijd binnen met het ontbijt op een bordje. Ik eet elke dag hetzelfde. Dat is makkelijk, zo hoeven wij ons niet elke dag weer af te vragen wat ik nu weer moet eten. Altijd hetzelfde. Elke dag. Altijd. Overal. Nooit anders.
Ik rol de rollator naar het tafeltje en wacht tot zuster Tjitske een stukje brood met boter en nagelkaas in mijn mond duwt.
“Ga je met Romke paaseitjes verven vanochtend?” vraagt ze. Een vrijwilligster geeft sinds kort een cursus met de mond schilderen. Romke en ik doen mee. Romke is mijn vriend hier, voor zover je die hier kunt hebben. Niemand is hier lang. Romke heeft suikerziekte. Ze hebben z’n beide benen afgezaagd. Romke rijdt in een rolstoel. Maar hij heeft nog steeds suikerziekte dus veel is hij er niet mee opgeschoten.
“Nee, vanochtend gaan we genieten van het piratenkoor uit Nijeholtpade.”

De zuster duwt meer brood tussen mijn lippen. Als ze na het eten afruimt ziet ze het papier op het bijzettafeltje. Ze pakt het.
“Zal ik dat ook maar opruimen?”
Dan leest ze wat er op het papier staat.
“Wat betekent dit?”
“Romke heeft het voor me opgeschreven.” Verder zeg ik niets. Wat valt er te zeggen?
Zuster Tjitske leest:

Zuster Tjitske is lief
Zuster Tjitske is lief
Zuster Tjitske is zo lief
Zuster Tjitske is ontzettend lief

Regel overslaan, volgende strofe

Zuster Tjitske is lief
Zuster Tjitske is lief
Zuster Tjitske is heel erg lief

Zuster Tjitske kijkt mij aan. Ze lijkt verbaasd en van haar stuk gebracht.
“Is dat voor mij, ben ik dat?”
“Je hebt gelijk, ik ben een stakker. Gooi maar in de prullenbak. Het is trouwens niet af. Er moet nog een heel couplet achter. Ik was er nog niet uit voor wie het is, maar nu geeft het niet meer, gooi maar weg. Alleen zielige oude mannen schrijven gedichten.”
Dan komt Romke binnenrijden. Ik ben blij dat we weg kunnen.
“Alles weggooien,” roep ik nog.

“Dein mee over de zee,” zingt het koor.
“Dein mee op de baren van de zee.” De dirigente slaat wild met haar stokje en roept: “Allemaal!”
Allemaal kijkt toe. Het koor uit Nijeholtpade zingt. Wij niet. Wij wachten. Op de jenever, of op morgen, wie zal het zeggen.
“Allemaal!” roept de dirigente weer.
Ze draait zich om en kijkt ons blij aan.
“Allemaal deinen.”
Niemand deint. Alleen de dirigente maakt vreemde spastische bewegingen die in de verte aan een Batavus bromfiets met ILO motor doen denken. Een brommer op zee. Romke werkte in een eerder leven op de Batavusfabriek. En toen ik jong was reed ik op een fiets van Batavus. We hebben veel gemeen, Romke en ik. Wij vullen elkaar aan. Samen zijn we een heel mens.
“Over de zee,” zingt het koor onverschrokken. De vrijwilligers beginnen suikerbrood en jenever uit te delen. Met dik roomboter vertel ik mezelf. De koffie is al op. Romke is hier alleen voor de jenever, net als ik. Rechts naast mij zit de mevrouw zonder armen of benen die ik ken van de Paardenbloem. Ze steekt een hand op.
“Jenever hier,” roept ze.
“De heer is mijn herder, ik heb al wat mij lust,” zingt Romke. De vrijwilligster zet een koffiekop jenever naast hem neer. Ze knipoogt. Een man begint voor in de zaal te dansen. Dat denk ik, zo lijkt het, maar misschien speelt de Parkinson op. Je weet het niet met al die jenever. Een mevrouw met polio roept om meer. Meer jenever of meer piratenkoor. Romke neemt nog snel een slok. Dan houdt hij mij de kop voor. Hij duwt hem tussen mijn lippen.
“Drink maar,” zegt hij. Het kopje is leeg.

“Godsamme,” zegt Romke.
Hij kijkt naar Jezus in het gebrandschilderde raam.
“Godsamme, hij is opgestaan. Hij is waarlijk opgestaan. Kijk dan! Hij staat, hij staat, hij staat, en ik sta, ik sta ook!!”
Niets van dat alles is waar. Jezus staat niet en Romke ligt op de grond voor de rolstoel. Ik zie dat hij tranen in de ogen heeft.
“Ik sta, ik sta,” schreeuwt hij vanaf de grond. Twee vrijwilligsters tillen hem met vereende kracht weer in de stoel. Nu ze er toch zijn bestel ik nog snel een kop jenever. Onderwijl kondigt de dirigente een korte pauze aan.
“Hij zal mij geleiden naar grazige weiden,” zingt Romke. Ik rijd mijn rollator tegen de rolstoel van Romke en duw hem achterwaarts de zaal uit. Een vrijwilligster rent op ons af met een fles jenever.
“Neem maar mee naar de kamer,” fluistert ze. Ze legt de fles in het mandje van de rollator. Ik zal later aan zuster Tjitske vragen om me te voeren. Misschien wil ze de fles wel samen met mij soldaat maken. En dan rol ik Romke door de smalle gang langs de Boterbloem, de Liguster en de Herfsttijloos naar zijn kamer. Hij zingt lalalalala, lalalala op de wijs van de heer is mijn herder. Dan zakt het hoofd op de borst. Hij moest de laatste regels nog zingen bedenk ik me. Hij is ze waarschijnlijk vergeten. Ik ken ze ook niet. Volgende week dinsdag paaseieren schilderen en vrijdag het duo Hops en Hops met oude volksliedjes. Het is niet alle dagen feest.

Noot van de schrijver: de laatste twee regels van de heer is mijn herder luiden:

Hij voert mij al zachtkens
Langs waatren der rust