Categorieën
Fictie

Zo oom, zo neef

Zo oom, zo neef
Vermoedelijk was mijn neef Raymond het oudste kind uit Den Haag dat ooit in een kinderwagen werd voortgeduwd. Als mijn oom uit stelen ging, supermarkten en warenhuizen waren zijn voornaamste werkterrein, dan nam hij de kinderwagen altijd mee. Raymond sliep als baby rustig door onder het dekentje tussen de pakken koffie en cd’s. Die babytijd ging snel voorbij, dus deed mijn oom zijn zoon een mutsje op om zo de krullenbos van de peuter en later kleuter te verbergen en stopte een reuzenlolly of zuurstok als zoethouder in zijn mond. Tot zijn zesde vergezelde mijn neef zijn vader op zijn strooptochten.
Raymond ritst zijn bomberjack open en tovert een vinyl lp tevoorschijn. De lp past precies in de voering van zijn jas die hij over de gehele breedte heeft opengeknipt. Ik heb de ‘truc’ vaker gezien, mijn neef is een fanatiek verzamelaar van vinyl, maar het blijft altijd spannend wat er verder nog onder zijn jas vandaan komt. Als een kruising tussen een ontmaskerde goochelaar en een betrapte dief haalt hij deze keer twee flesjes Hugo Boss eau de toilette uit zijn binnenzak.
“Hier, voor jou ook een flesje.”
“ Nee joh, hou zelf maar. Ik gebruik Davidoff.”
Behalve neven zijn we ook beste vrienden, al groeien we langzaam steeds een beetje meer uit elkaar. Toch zie ik hem nog veel. Raymond maakt met zijn wilde bos krullen en sterke fysiek indruk op de meisjes. Met mijn androgyne uiterlijk was ik al blij met de baard in de keel. Zo kan ik in ieder geval verbaal bewijzen dat ik een jongen ben.
We konden vroeger urenlang in de gang tegen een balletje trappen. Raymond mikte soms loepzuiver op het servies in de keuken of hij probeerde het bovenraampje in de deur van de gang te raken. Als alles aan diggelen ging was hij het meest gelukkig. Na het geluid van brekend glas kwam zijn vader tierend en vloekend op hem af. Zijn zoon trok dan slechts zijn schouders op. Op zijn tiende verjaardag kreeg hij een buks waarmee hij graag met hagel op meeuwen en duiven schoot. Zijn pogingen waren vaak raak, de katten waren hem dankbaar voor hun gemakkelijke prooi. Zelfs met mijn nieuwe bril, tijdens het voetballen kon ik het doel aan de overkant van het veld opeens niet meer zien, schoot ik vooral mis en kregen de vogels alle kans om te ontsnappen.
Raymond legt de lp op de draaitafel. Zijn hoofd deint mee op de dreunende, zware bassen. Hij wijst op de boxen.
“ Nieuwe van die ouwe gekregen.”
“ Van de vrachtwagen gevallen zeker.”
Om zijn vader te pesten had hij een dartpijltje in de woofers geworpen. ‘Plop’ deden de speakers bij een voltreffer, daarna hoorde je alleen nog gekraak.
De vakanties brachten ze samen door op de camping in Brabant. Stapvoets rijdend over het terrein in zijn zoveelste nieuwe auto, begroette mijn oom de mannen uit de Haagse penose door bijna onmerkbaar zijn pink op te richten. Hij kaartte in zijn stacaravan geregeld om grof geld met een paar maten die hij kende uit Veenhuizen. Naar eigen zeggen was hij daar in zijn jonge jaren na een “akkefietje” beland. Tijdens een van de vele druilerige zomers liepen alle vrouwen op de camping rond in een groen of roze joggingpak met de opdruk ‘Fantastic Summer’. Een jaar later droegen dezelfde dames een Prada tas. Echt of nep? Ik durfde het hem nooit te vragen.
Mijn oom droomt van een betere toekomst voor zijn zoon. Zelf hebben zijn ouders zich nooit met hem bemoeid. Hij wil het anders doen, maar hij staat er alleen voor. Zijn vrouw, de zus van mijn moeder, is al vroeg na de geboorte van Raymond overleden. Er waren vriendinnen, maar een vaste relatie wil hij nooit meer. Mijn neef slaat al zijn adviezen in de wind. Hij vindt zijn vader vooral een irritante bemoeial. Dat gezeur over cijfers en school. Waarom zou hij een diploma halen en de gebaande paden volgen? Zijn vader gaat toch ook zijn eigen weg? De kick van het stelen heeft hij van zijn vader geërfd. In zijn geval op pad in een bomberjack in plaats van met de kinderwagen.
Raymond is een voortreffelijke voetballer. Stevig, stoer, een zeer balvaste en technische spits. Hij zit bij de Haagse jeugdselectie, wordt gevolgd door kritische scouts van grote clubs, maar zijn vader is zijn grootste criticaster. In de ogen van mijn oom doet Raymond niets goed. Een zuivere hattrick gescoord? Hij had er meer moeten maken of anders nog mooiere doelpunten. Beter passen, sneller de bal veroveren. Mijn neef wordt gek van zijn vader. “Door dat eeuwige gezeik van hem, ga ik dit spel haten”, zei hij eens na een toch met ruime cijfers gewonnen wedstrijd. Om zijn vader te ergeren schiet hij soms bewust naast of geeft hij zo nu en dan expres een te harde pass.
De lp doet hij weer terug in de hoes. Hij ritst zijn bomberjack dicht en zegt dat hij op de brommer naar zijn vriendinnetje Victorine gaat. Een bloedmooi, lief, fragiel en intelligent montesorrimeisje. Ik ben jaloers op hem, maar zal dat nooit laten blijken. Op onze leeftijd is innerlijk niet het belangrijkst. Als we ouder zijn waarschijnlijk ook niet, denk ik soms mismoedig.
“Ik ga naar je vader kijken. Hij speelt straks tegen ADO.”
“Interesseert me geen zak tegen wie die ouwe moet. Hij doet zijn best maar.”
Door de wedstrijden van zijn vader te boycotten, hoopt hij dat mijn oom ook de wedstrijden van hem overslaat. Maar nee, zo zit zijn vader helaas niet in elkaar.
Bij de Haagse veteranenvoetbalderby Laakkwartier-ADO gaat het er binnen en buiten de lijnen hard aan toe. Voetbal is oorlog in het veld, maar langs de kant staat voetbal gelijk aan de (mondelinge) dood als je al het gescheld met ongeneeslijke ziektes, die vooral de spelersvrouwen de mannen van de tegenpartij en ook elkaar toeschreeuwen, serieus neemt. Mijn oom is een lange, slungelachtige en handige linksbuiten. Passeert links en rechts, kronkelt en wurmt zich langs zijn tegenstanders en wordt daarom door zijn teamgenoten, naar zijn grote voorbeeld Rob Rensenbrink, ‘het slangenmens’ genoemd. Maar bij mijn oom gaat alles in een veel lager tempo door zijn stramme spieren en ik vind hem dus meer een ratelslang, omdat je zijn knieën hoort kraken en hij sist en roept verwensingen naar de tegenstanders die hem vasthouden. En dan opeens. De verdediger zet een vliegende tackle in. Onbesuisd, veel te laat en volstrekt verkeerd getimed. Je hoort de botten breken. Mijn oom bijt kermend in het gras. Ik ren het veld op, bel een ambulance en in razende vaart en met gillende sirenes wordt hij naar het ziekenhuis afgevoerd.
Op hetzelfde moment, zo hoor ik later van Victorine, botst mijn neef tegen een rijdende tram en breekt beide benen. Zij noemt dit synchroniciteit en vindt het een spirituele en zinvolle gebeurtenis, het brengt haar vriendje en zijn vader misschien wel dichter bij elkaar, maar ik vind het toeval en zinloos. Zelf blijft ze, wonderlijk genoeg, ongedeerd. Ze zit achterop, wordt gekatapulteerd na de klap, maar komt met beide voeten weer op de grond terecht. Ik zie gelijk voor me hoe ze als een lieftallig elfje door de lucht vliegt en een gracieuze landing (met een hupje!) maakt.
Als mijn oom Victorine en mij de kamer in het ziekenhuis ziet binnenkomen, trekt hij zich gelijk aan de papegaai boven het ziekenhuisbed omhoog. Monter steekt hij van wal over de gecompliceerde beenbreuken van Raymond, die onbewogen in het andere bed naast zijn vader blijft liggen en ogenschijnlijk niets hoort, en hem.
“ Het is een breuk van beide onderbeen beenderen, de crurisfractuur noemen ze dat. We moesten echt direct geopereerd worden. In onze benen zitten nu een plaat en schroeven en ja het is fijn dat we naast elkaar liggen want nu kunnen we elkaar steunen en natuurlijk is het ook gezellig om over voetbal te praten,” zo ratelt hij maar door.
Raymond wenkt me. Ik buig mijn hoofd naar hem toe en hij fluistert in mijn oor.
“De chirurg zei dat ik nooit meer kan voetballen.”
“Jezus man, wat klote!”
“Het interesseert me geen reet, eindelijk verlost van zijn eeuwige gezeik.”
Die laatste zin spreekt hij hardop uit. Even wil zijn vader zijn zoon een verwensing toeroepen, zoals tegen een vervelende tegenstander na een mislukte passeeractie, maar hij kan die neiging onderdrukken. Hij zwijgt, is duidelijk teleurgesteld en iets in hem lijkt geknakt. Tenslotte laat hij zich, zachtjes kreunend, langzaam terugzakken in de kussens.