Categorieën
Fictie

Zilverpoets

Zilverpoets

Zodra een kindje geboren is, wordt het de kerk ingedragen om gedoopt te worden.
Dan heeft het alvast maar een plekje in de hemel.

Mijn vader en moeder hebben mij in onze kerk laten dopen. Mijn moeder met haar zwarte hoed op, mijn vader strak in pak. Dat weet ik omdat in ons huis, op de schouw in de nette kamer een foto van ons staat. Ik ben de baby in de witte doopjurk. Naast mij, staat de doopfoto van Mertie, mijn broer. Hij heeft krulletjes en draagt dezelfde stomme doopjurk. We zijn toch geen meisjes?
Aan de andere kant van mijn foto staat een leeg fotolijstje met een zwart kartonnetje.
Het zilver van dàt lijstje glimt het hardst. Het wacht op de foto van Herman, mijn baby broertje. Herman ligt nog in het ontwikkelbad van de fotograaf. Maar de fotograaf is meegenomen door de Duitsers. Voor verhoor. Mijn moeder is dankbaar dat het dopen is gelukt. Je weet immers maar nooit.

Gisteravond zag ik ze door de straat lopen. De gele sterren op hun jas weerkaatsten in het avondlicht. Als een kudde dieren gebrandmerkt met dezelfde ster werden ze naar het station gedreven. Ik schoof ons velours gordijn een stukje opzij om beter te zien.
Papa stond bij het koele zwarte gat van de open haard en leunde met zijn hand tegen de schouw. Zijn hand lag precies voor mijn lijstje.
‘Ze gaan verdulleme allemaal de trein in naar een kamp’, zei mijn vader.
‘En wàt Betsie,.. wat doen wij eraan?’
Mijn vader keek hopeloos naar mijn moeder maar er kwam geen antwoord.
‘Papa, gaan ze dan niet naar een leuk kamp?’, probeerde ik.
‘Nee Gijs, ze gaan niet op zomerkamp’.
Papa keek niet blij maar ik deed volgens mij niets verkeerd dus vroeg ik door.
‘Naar wat voor een kamp gaan ze dan?’
‘Naar een werkkamp mijn jongen maar hou maar op met vragen’.
Mijn vader keek me aan en zijn gezicht werd weer wat zachter.
‘Waarom?’ waagde ik.
‘Omdat ons geweten het antwoord hardop niet verdraagt’, zuchtte mijn vader. Hij liep de kamer uit.
In verwarring schoof ik het gordijn weer opzij en keek.
Door de opengevallen spleet zag ik de aardige conciërge voorbij komen opa’s, oma’s, vaders, moeders en veel kinderen. Eén jongetje viel me extra op. Hij was denk ik, net zo oud als ik; een jaar of acht.
Hij sprong op de stoep maar werd door een soldaat teruggeduwd.
Hij sprong weer terug de stoep op en rechtte zijn rug.
De soldaat duwde hem ruw met de zijkant van zijn geweer, weer terug de stoet in.
Zijn moeder greep zijn arm maar dat hielp niet. De jongen sprong opnieuw de stoep op en rechtte zijn rug nogmaals. Onze warme woonkamer voelde onbehagelijk.
Vanaf de stoep keek het jongentje me over zijn schouder ineens recht aan. Snel liet ik het gordijn dichtvallen.

Maar jongentje was niet echt weg, hij zat in mijn hoofd en ging er niet meer uit.
Hij gaat met me mee naar het plantsoen aan de IJssel waar ik de jongens van De Jonge Krachten zie, onze bende de DJK. Net als papa strijden we samen voor OZO; Oranje Zal Overwinnen.
Het jongentje grijnst als hij over het plan van de sigarenhandel. Een aantal sigarenwinkels heult met de Duitsers en die gaan wij dus pakken.

In het plantsoen bij de IJssel komen we samen. We zitten in het gras onder de treurwilg waarvan de takken overhellen tot in de IJssel. De puntjes houden de boom koel.
Mertie, mijn oudste broer, neemt het woord.
‘Kameraden, goed dat jullie hier zijn. Morgenmiddag gaan we operatie Sigaar uitvoeren’.
‘Het moet snel want nu is het nog heet. We maken makkelijk een vuurtje.
‘Luister goed, Wollie legt uit wat de bedoeling is’.
Wollie, die samen met mijn broer het bestuur van de DJK vormt, deelt alvast twee vergrootglazen uit. Ik krijg er één en Pukkie ook. Pukkie zit bij mij in de klas en heeft een gaatje in zijn wang.
Zijn vader is de baas van de schiettent in de kerk en Pukkie hielp hem bij het verwisselen van de schietschijfjes. Iemand schoot per ongeluk in zijn wang. Het kogeltje belandde op zijn tong.
Het gaatje geeft hem gezag bij de andere jongens in de klas. Had ik ook maar zo’n gaatje.
Ik wrijf over het glas dat Wollie mij zojuist gaf. Het glas komt uit een kapotte zaklantaarn.

Wollie staat voor de groep en begint met de uitleg van onze opdracht.
‘Morgenmiddag om kwart over één, staat de zon loodrecht op de etalage van Meuleman.
Op dat moment liggen al zijn sigaren in de felle zon en als we het plan goed uitvoeren, gaat de fik er in! Let op, het duurt ongeveer drie of vier minuten voordat een sigaar gaat smeulen dus jullie moeten volhouden. Snertien, jouw positie is aan de overkant van de winkel. Jij geeft aan wanneer de kust veilig is, akkoord?

De volgende dag kijk ik na schooltijd omhoog. De zon verblindt me.
Woensdagmiddag, kwart over twaalf. Bloedheet en geen wolkje aan de lucht. Het jongetje jubelt het al in mijn oor: ‘Laat ze smeulen Gijs, de fik erin. Doe het voor mij en mijn zusje’.
Met Snertien en Pukkie loop ik naar de Koornmarkt.
Bewust van onze missie kijken we gespannen om ons heen. Pukkie hurkt en leunt met zijn rug tegen de warme witstenen muur onder de etalageruit van de sigarenwinkel. Ik sta aan de andere kant, precies in de smalle strook gevelstenen voor ingang van winkel. Het gebroken glas, snijdt in mijn rechterhand.
Snertien staat aan de overkant en seint ons dat de kust veilig is. Ik kijk Pukkie aan en knikkend tellen we. Drie, twee, één en dan leggen we het gebroken glas, voorzichtig zonder te tikken op de ruit.
Voor Pukkie is het lastig want hij moet het glas boven zijn hoofd tegen de ruit leggen.
De zon brandt op de sigaren. We wachten. Er kruipen voor mijn gevoel wel vijf minuten voorbij. Pukkie krijgt kramp in zijn arm, hij wisselt van arm. Snertien seint dat het veilig is en voorzichtig kijk ik de etalageruit in. Daar zie ik dat één sigaar begint te smeulen. Langzaam kringelt een blauwgrijze straaltje omhoog. Het gaat gebeuren! Snel trek ik me terug en kijk naar Snertien.
Mijn zenuwen doen het vergrootglas op de ruit trillen. Ik hou het niet meer.
We wachten nog even. Dan begint Snertien te springen en rookgebaren te maken. Gelukt, de etalage rookt als een malle. Gauw zwaai ik de deur van de winkel open en roep: Meuleman, de sigaren branden!’
We rennen weg.
Als Meuleman naar buiten komt, staan we op veilige afstand bij de kerk.
Hij ziet ons niet en loopt terug naar binnen. Uit de verte zien we de zonneschermen zakken.

Als ik thuis kom, staat mijn moeder bij de deur me op te wachten. Dat doet ze nooit dus er is vast wat aan de hand.
Gijs, waar zat je? Je vader wilde je nog zien! Waarom mama me dit zo vertelde, snap ik al gauw op straat.

‘De bakker moet duiken’ zeggen ze tegen elkaar terwijl ze vol medelijden mij aanstaren.
Gelukkig zat hij niet in onze trein, lispelt het jongetje.

Sinds papa in de duinen van Overveen is doodgeschoten, draait mama de voordeur weer stevig op slot als wij ’s avonds slapen gaan.

De oorlog is voorbij. En Herman ook. Meningitis. Dat kon er ook nog wel bij.
Het zilver van het lijstje ziet voor altijd dof. Het is God’s wil, zegt mama vaak. Het jongetje weet wel beter. //