Categorieën
Fictie

Zilver en hout

In een houten afgebladderd lijstje lijkt de tijd stil te staan. De foto rot in een tijdperk waar ik niet aan herinnerd wil worden. Een puisterig hoofd, een verlegen glimlach. Zo sta ik daar al acht jaar, stil en onbewogen. Ik kijk mezelf aan. Mijn haar is door de war. Een oog is half dicht. Is dit hoe ze mij nog steeds ziet? Verdwaald, ver weg gedroomd en de wereld niet onder ogen willen zien?
In een zilveren lijstje grijnst mijn broer in een ontbloot bruin bovenlichaam. Ergens in een land waar de zon altijd schijnt. Hij verandert steeds, maar toch elke keer zijn er weer diezelfde tanden die ergens anders in het felle zonlicht weerkaatsen. Hij wordt ouder. Zijn volwassenheid wordt niet ontkent. Ik voel hoe trots ze op hem zijn, want hij reist en beweegt zich door de tijd.

‘Oma’, begin ik voorzichtig, ‘Waarom heb je de foto’s van mij die ik je met kerst heb gegeven niet ingelijst? Deze foto is al zo oud…’ Zwijgende dichte lucht verspreidt zich door de kamer. De stilte wordt doorbroken door de zware pendule die heen en weer zwaait. Vroeger haatte ik dat ding. Als ik weer niet opschoot volgens mijn familie of juffen of meesters, dan dacht ik altijd aan deze klok. Het zware doffe getik, dreunde dan in mijn oren. Maar op dit soort momenten ben ik de klok dankbaar. Woord stiltes komen vaak voor in dit huis.
Na een tijdje kijkt mijn oma op. Ze gluurt over haar leesbril heen, haar ogen fijngeknepen en gericht op mij. De dikke bruine leren stoel heeft iets weg van een oude wastobbe, vond ik vroeger. Stiekem noem ik het oma’s lees wastobbe, maar dat mag oma niet weten. ‘Die passen niet in het lijstje’, zegt oma kort en richt zich weer op de krant.
Ik knik uit een soort gewoonte, omdat de dreigende lucht die in de kamer hangt, betekent dat dat mijn antwoord was dat ik kreeg en dat ik daar maar mee moest doen. Vanaf jongs af aan heb ik dat al begrepen. Doorvragen heeft geen zin. Dan wordt de lucht alleen maar dichter. Laatst had ik ergens gelezen dat stiltes ook iets zeggen, maar ik geloof dat zwijgen hier maar een ding betekent: houd je mond dicht. Zouden andere families meer kunnen zeggen met stiltes? De pendule zwaait ongestoord heen en weer.
Ik kijk mezelf en mijn broer weer aan. Passen niet in het lijstje? Maar dan knip je toch de foto bij? Of probeer je een ander lijstje? Vragen prikken in mijn hoofd, net zoals shampoo in je ogen als oma je boos toesprak als je toch weer je ogen open hield bij het haren wassen in bad. Mijn ogen probeer ik zo lang mogelijk open te houden. Ik knipper alleen heel kort. Ze lang dicht houden doe ik alleen ‘s nachts. Als ik in bed lig en me veilig onder de dekens dompel in mijn eigen bad van fantasie en dromen. Mijn eigen wastobbe. Dan durf ik pas mijn ogen dicht te doen. Daar prikt nooit shampoo in je ogen en krijg je altijd meteen antwoord op je vragen. Ik zucht en slurp aan mijn kopje thee. Geknepen ogen gluren weer over de leesbril vanuit de oude wastobbe. ‘Sorry’, zeg ik met omhoog getrokken schouders en staar naar buiten, naar de perfect rond geknipte boompjes in de tuin.

Vroeger deden we altijd spelletjes aan de eettafel. Vier op een rij, ganzenbord, memory. Mijn broer wilde altijd Monopoly spelen. Dat duurde dan een heel dagdeel. Zo kwamen we de logeerpartijtjes bij oma wel door. Verschrikkelijk vond ik dat. Als een echte strateeg kocht hij in een mum van tijd alle straten op en plukte je kaal als je hondje, vingerhoed of bootje als op bezoek kwam in zijn huis of hotel. ‘Je moet beter op je geld letten’, zeiden ze dan. Dat zei oma ook toen ik met mijn nieuwe pinpas mijn eigen kleren mocht pinnen en er een rood schermpje kwam. Cijfers vind ik altijd zo lastig. Geld terug geven, korting uitrekenen. Ik ben er nooit goed in geweest. Altijd alles werd in een spelletje verwikkeld, in de hoop dat ik het dan zou leren. Dat moest ook van de juf op school. Nu haatte ik niet alleen cijfers en sommen, maar ook spelletjes, omdat ik wist dat ik ging verliezen.

Oma hijst zichzelf uit de wastobbe en wijst naar de klok met de zware pendule. Half zes. Dat betekent het vuur onder de pannen aansteken. Oma zet altijd het eten voor in de avond ‘s ochtends klaar in pannen op het fornuis. Is ze bang dat ze te laat komt? Hoort zij net als ik dan de zware pendule in haar hoofd tikken? Misschien was oma net zoals ik vroeger, maar weet ze nu voor altijd hoe het hoort. Zal ik ook ooit het spel leren spelen? Ik kijk oma na hoe ze naar de keuken sjokt. Of ik mee zal helpen, vraag ik nooit. Alles is al klaar en ik doe het toch nooit goed.

Het fotolijstje, oma’s wastobbe, mijn broers tanden, de eettafel vol met zijn hotels en monopoly geld, de zware klok: het zijn pionnen van het spel. Mijn broer weet hoe hij het spel moet spelen. De kinderjaren zijn een afvalrace met een parcour van rekenen, taal, rituelen en sociale vaardigheden. Wie niet de kracht heeft om over de muur te klimmen, de snelheid heeft om de tijd in te halen of de tactiek begrijpt van de spelregels, moet zichzelf uit de modder vissen. Hoe vaak ben ik wel niet in de modder beland en heb ik mezelf uit de drek gehesen? Geprobeerd de rand van de muur te pakken met mijn gladde vieze natte handen? Langs de zijkant stonden ze dan: de juffen, meesters, ouders van andere kinderen, oma. Zwijgend en zuchtend halen ze dan het touw tevoorschijn, die me uit de modder trekt en met een boog me over de muur heen slingert. Met een gezicht vol troep kijk ik hen aan. ‘Sorry en dankjewel’, fluister ik. Er wordt geknikt. Nu mag ik verder gaan. Verontschuldigingen en dankbaarheid waren de kanskaarten van het spel. Als ik maar weet dat ik door hen zoveel kansen heb gekregen en het toch telkens heb verprutst. In de verte klinkt gejuich. Mijn broer heeft de eindstreep gehaald. Ik zie de vlaggen wapperen in de wind. Nog even en dan ben ik er. Zal ik het op tijd halen?

De kookwekker gaat en ik schrik op uit mijn gedachten. De kookwekker betekent tafeldekken. Snel loop ik naar de kast om het tafelkleed en het oude bestek op de tafel uit te stallen. Eerst het plastic ondertafelkleed met kerstmotief, dan de blauw geel geruite van katoen. Dan het bestek. Lepeltjes voor het toetje maken een boog met de messen en vorken. De lepeltjes leg ik linkshandig neer ook al weet ik dat ze straks met een zucht worden omgedraaid. Ik heb altijd de lepeltjes moeten omdraaien. Nu is oma een keer aan de beurt. De borden neem ik mee naar de keuken, want je eigen eten opscheppen mag niet. Oma meet alles precies af op je bord. Heeft ze de borden ooit opgemeten en in vier stukjes gedeeld? Vroeger dacht ik altijd, waarom neemt ze niet een bord met van die vakjes? Dan weet ze zeker of ze geen fouten maakt met de porties. Zwijgend kijk ik toe hoe oma met precisie de jus over de aardappelpuree verdeeld. Dit is ook een onderdeel van het spel.

Aan de eettafel zit ik altijd op dezelfde plek. Vanuit mijn stoel kan ik de fotolijstjes nog net zien. Mijn ogen gaan van de fotolijstjes, naar mijn bord met afgemeten voedsel en naar de ‘goed gedraaide lepeltjes’ die gepaard gingen met een zucht. Mijn handen glijden over de blauw gele tafelkleed op de Monopoly eettafel. Ik wacht op oma totdat ze goed zit. Dan zeggen we ‘eet smakelijk’ of ‘prettige voortzetting’ en gaan eten. Ik recht mijn rug. Vroeger zei oma dat ze een bezem in mijn trui zou steken, zodat ik niet voorovergebogen als een boer ging eten. Nu zegt ze dat niet meer. Waarschijnlijk zit ik nu recht genoeg.
Het bestek krast zachtjes over de borden, de pendule zwaait heen en weer. Mijn acht jaar geleden ik en mijn broer kijken mij aan. Dat is de trofee die je krijgt als je het spel wint. Een zilveren lijstje en een ouder wordende foto. Als je verliest, blijf je altijd kind en wordt je vastgezet in een lijst van hout. Op het tafeltje naast de bank, beschenen door het gele licht van de verstofte lamp. Hij zilver, ik hout. Hij levend, ik dood.