Categorieën
Fictie

Zelfmoordje

ZELFMOORDJE
Kennen jullie het verhaal al van Zelfmoordje? Neen? Wel ik zal het hier snel vertellen. Waarschijnlijk zal je het een vreemde naam vinden, Zelfmoordje. Maar als je het verhaal hebt gelezen, zal je begrijpen waarom iedereen hem Zelfmoordje noemde. Eigenlijk heette hij Jantje. Jantje had zoals iedereen een mama en een papa maar het was geen gelukkig gezinnetje. Helemaal niet eigenlijk. Elke dag was er ruzie. Klinkende ruzie. Dan gooide zijn papa met borden. En zijn mama schreeuwde dan heel hard. Ze schreeuwde zo hard dat het glas in de ramen trilde. En altijd weer waren de oortjes van Jantje potdoof na een avondje ruzie. Jantje was het zo beu dat hij weg wilde van huis. Naar een plaats waar mensen niet schreeuwden en met borden gooiden. Maar ja, kinderen kunnen zo maar niet weg, ze moeten bij hun ouders blijven. Maar Jantje had een oplossing gevonden. Als je op internaat gaat, ben je elke week weg van huis had hij gehoord. Geen klinkende ruzies meer! En geen geschreeuw meer. Nooit meer borden die in stukken vliegen tegen de muur. Maar … waar vond je een internaat?
En toen gebeurde er een wonder. Op een dag stopte er een wagen aan het huisje van Jantje en zijn ruziemakende ouders. De bel van de voordeur rinkelde. Zijn ouders werden muisstil, dat was al een goed teken. Ze openden de deur en er stond een man met een lange rok en een dikke sigaar in de mond. ‘Hallo’, zei hij, ‘ik kom voor Jantje’.
Jantje kroop weg achter de sofa. Al deed dat pijn want er lagen nog scherven van de avond ervoor. Plots hoorde hij de man zeggen tussen twee grote sigarenwolken: ‘En het is een uitstekend internaat, iedereen slaagt altijd, niemand blijft achter’. Toen kwam Jantje nieuwsgierig tevoorschijn vanachter de sofa, de oren gespitst. En riep hij tot zijn eigen verbazing ‘ja papa, daar wil ik naar toe’. Die keek even vreemd op. Hij bleef stil en zei toen: ‘Goed, dan mag Jantje op internaat.’ Iedereen was blij, de man met de sigaar, zijn papa die plots kon lachen. Alleen zijn mama huilde stilletjes. En ze ging het servies verbergen terwijl de twee mannen nog nalachten en Jantje weer wegkroop.
Zo belandde Jantje na de zomer in een internaat in een ver dorp. Zijn ouders brachten hem met de wagen, onderweg zoals steeds luid roepend op elkaar. Eindelijk gelukkig dacht hij. Geen ruziënde ouders meer of een kelende mama. Hoera dacht hij. Maar, beste lezers, het was geen gewoon internaat. Neen, de kinderen kregen er geen les zoals in andere scholen. Het was een heel speciaal internaat. Met een wel heel speciale opleiding.
Zo leerde Jantje er in het eerste jaar knopen leggen. Hij kreeg les over touwen. Welke volkeren de beste touwen konden maken. En welke stoffen je best nam. Hij oefende zich maanden suf met katoen. Nadien met hennep en zelfs met wol en papiervezels. Maar het erge was dat de touwen van zijn klasgenoten altijd beter waren. Nadien moest hij nog leren hoeveel soorten knopen er bestonden. En dan maar oefenen. Tot hij alle knopen onder de knie zou hebben. Maar het erge was dat bij Jantje er wel altijd iets mis ging. Dan brak het touw, dan lag de knoop fout. Dan schreeuwde de touwenleraar. En meestal werd hij uit de klas gegooid samen met alle touwen die hij verkeerd had gemaakt en zijn onontwarbare knopen. En dan huilde hij stilletjes omdat hij het niet goed deed …
In het tweede jaar moesten ze leren hoe ze niet moesten zwemmen in water. Dat was moeilijk. Voor hij op internaat ging had hij alle moeite gedaan om goed te kunnen zwemmen. En nu moest hij alles weer afleren. Ook hier ging het mis. Steeds weer bleef hij toch zwemmen. En schreeuwde de zwemleraar dat hij het zwemmen nooit zou kunnen afleren.
In het derde leerjaar werd er geoefend op correct springen van een muur. Eerst van een laag muurtje. Dat ging nog goed. Yes dacht hij, dit lukt me! Maar elke maand werd het muurtje hoger en hoger om vanaf te springen. Het werd zo hoog dat Jantje uiteindelijk niet meer durfde springen. De springleraar schreeuwde en brulde maar Jantje trilde en beefde op zijn benen en sprong niet meer. En uiteindelijk werd hij uit de springklas gegooid. En weer huilde hij grote tranen.
In het vierde leerjaar moesten ze leren hoe correct een spoorweg te passeren. Een fluitje van een cent zou je denken. Maar neen, Jantje wachtte telkens netjes tot de slagbomen weer omhoog gingen en de trein uit het zicht zou zijn. ‘Zo ga je de trein nog missen’, schreeuwde de treinspoorleraar, ‘let toch eens op!’ Maar het lukte Jantje niet de spoorweg op te lopen…
In het vijfde leerjaar moesten ze alles leren over medicijnen en chemische stoffen. Toen dacht hij eventjes yes dit wordt toch nog leuk, dit gaat me lukken. Maar neen hoor. Hij kreeg opdracht van de medicijnenleraar om de vreemdste combinaties te maken in de meest onlogische hoeveelheden. En altijd weer slaagde hij er niet in om de gevraagde combinaties te maken. ‘Denk toch eens niet na’, riep de leraar,’ Jezus, wees toch eens wat dommer!’
En toen startte het zesde leraar. Alle dingen die ze geleerd hadden in de vorige jaren werden eindeloos en tot in den treure herhaald. Tot de grote eindproef aanbrak. En alle leerlingen slaagden in hun examens. De ene knoopte zich perfect op. De andere sprong in het water en kon perfect niet zwemmen en verdronk. Sommigen sprongen van de hoogste muren. Een klein deel haalde perfect de trein ondanks de gesloten slagbomen. Een groot deel mocht proeven van hun medicijnencocktail en en slaagden met glans. Alleen Jantje slaagde niet in zijn lange opleiding aan het Zelfmoordinternaat.
Sindsdien werd hij door iedereen Zelfmoordje genoemd. En hij leefde nog lang en gelukkig.

Paul Jannes