Categorieën
Fictie

Zelfkastijding

Mijn lichaam is een canvas en de zweep in mijn hand is de kwast. Op de vloer van de kelder strijk ik de kwast ruw heen en weer. Eerst eenmaal om berouw te tonen. Vervolgens tweemaal voor Gods genade. Tenslotte driemaal voor de vergiffenis van Gerard, mijn overleden man. De in bloed gegoten lijnen beginnen een verhaal te vormen. Ze zingen het memento van een weduwe die verdrinkt in een meer van tranen en alcohol. Haar verlangen om weer geliefd te worden is sterk. Maar de Tantaluskwelling is sterker. Ik kleur mijn lippen met bloed. Het is warm. Bijna aangenaam zelfs. Maar het is niets vergeleken met wat ik had. De liefde van Gerard zal nooit meer door mijn aderen vloeien. Dat recht heeft hij mij ontnomen toen hij zijn eigen leven nam. Ik voel mijn wangen nat worden. Het feit dat ik zowel de oorzaak en gevolg van zijn dood ben is verstikkend. Het voelt alsof hij mijn luchtpijp dichtknijpt vanuit het graf. Ik schreeuw om hulp. Maar de enige die meeluisteren zijn vier smerige muren en een grond vol bloed. Verslagen verlaat ik de kelder.
Er stroomt een ijskoude rivier door elke gang. Het trekt mij van het toilet naar de voordeur en vervolgens van de woonkamer naar de keuken. De herinneringen in het water scheuren mijn hart open. Sommige zijn van lang geleden. Toen alles nog een sprookje was. Maar aan alle mooie dingen komt een einde. In stilte passeer ik de ingeslagen meubels en kapotte vazen. Zoveel woede. Zoveel pijn… Ik trek het niet meer! Als een bezetene draai ik de kraan van de keuken open. Ik wrijf zo hard als ik kan maar water alleen wil het bloed van Gerard niet wegspoelen. Mijn schuldgevoelens als zijn mishandelaar laten dat niet toe. De enige personen die mij nog kunnen helpen liggen in de koelkast. Ik maak de deur van verlossing open. Jack Daniels, een krat met Heineken en een fles Merlot. Mijn heilige drie-eenheid. Als een toegewijde christen begin ik eerst aan mijn grote vriend, Jack. Ik giet de inhoud gulzig naar binnen. Warm. Zo warm. Het voelt bijna alsof mijn carrière als schilderaar nooit is gefaald. Maar het bloed dat aan mijn handen blijft kleven vertelt een ander verhaal. Woedend gooi ik de fles tegen de muur. Waarom liet ik mijzelf weer overhalen om in een sprookje te geloven? De laatste keer dat ik dat deed moest ik de gevangenis in. Wat is er veranderd? Ik ben nog steeds dezelfde mislukte schilderaar als vroeger. En ik heb dit keer weer iemand verloren met wie ik de rest van mijn leven wilde delen…
Uit frustratie trap ik alle meubels omver. Gerard was te goed voor mij. Zelfs na alle pijn die ik hem heb aangedaan stopte hij nooit in het geloven van mijn droom. Als klaploper die leefde van het geld van zijn rijke ouders kon hij alles krijgen. Maar dat betekende niets voor hem als hij mijn glimlach niet terug kon krijgen na elke ruzie. Ik val op mijn knieën en huil de restanten van mijn hart eruit. Ik weet niet hoe lang ik dit nog kan volhouden. Zelfs slapen lukt nauwelijks meer. Het gejammer uit de logeerkamer houdt mij klaarwakker. De manifestatie van mijn schuldgevoelens wordt met de dag erger. Als ik niet snel wat warmte binnenkrijg dan breek ik. Ik pak het krat met Heineken uit de koelkast en drink het ene na de andere fles. Maar de warmte blijft wegvloeien als het afgaand tij. Wat gebeurt er? Waarom werkt het niet? Gerard, help! Hou me vast en vertel me dat alles weer goedkomt. Alsjeblieft? Ik veeg het snot uit mijn gezicht en laat mijn handen over de Merlot fles glijden alsof ze worden geleid vanaf boven. Maar tot mijn ergernis laat ik de fles op de grond vallen. Het sprookje dat mij al maandenlang bij mijn volle verstand heeft gehouden ligt nu gebroken op de grond. Glasscherven en rode wijn zo ver het oog kan zien. Het is net een plaats delict. Ik voel een scherpe steek door mijn hand terwijl ik de scherven opraap. Bloed druppelt op de grond. Het mengt zich met de rest van mijn kwelling en vormt een kunstwerk van boetedoening.
Met een grote zucht loop ik naar boven. Het is tijd. Als het goed is heb ik nog een doos met slaappillen in de badkamer liggen. Ik hoor een zacht gejammer uit de logeerkamer terwijl ik de gang in loop. Het galmt in mijn hoofd als spoken in de nacht. Als een marionet aan een touwtje word ik naar de logeerkamer geleid. Ik leg voorzichtig mijn hand op de deurhendel. Mijn hart klopt in mijn keel. Elke cel in mijn lichaam waarschuwt mij dat er geen weg meer terug is als ik deze deur openmaak. Maar als je eenmaal in de afgrond hebt gestaart is dit simpelweg het einde van het begin. Ik maak de deur open. Alle moed zinkt mij in de schoenen. Het gejammer heeft nu een vorm en het kijkt naar me alsof ik prooi ben. Met een spottende glimlach verdrinkt het mij in een zee van al mijn grootste mislukkingen. Gescheurde schilderijen. Omgevallen foto’s. Gerards gebroken trouwring… Ik krijg geen lucht meer. Tranen springen in mijn ogen. Ik hap gretig naar lucht en bereik struikelend mijn nachtkastje. Het gejammer wordt steeds luider. Ik pak vlug een mes uit de la en draai me om. Het gejammer is nu oorverdovend. Met trillende handen maak ik een einde aan dit sprookje. Ik steek het mes diep naar binnen. Eerst eenmaal om berouw te tonen. Vervolgens tweemaal voor Gods genade. Tenslotte driemaal voor de vergiffenis van Gerard, mijn overleden man.