Categorieën
Fictie

Zeemeerman

Ik slaap niet meer. Stuk ben ik. Er is geen ander woord voor. Wat ik was valt uit elkaar. Ineens ben ik de hele nacht wakker. Waar ik ooit rust vond in het donker is nu alleen maar wanhoop. Het voelt als een ziekte die je sloopt.
Maar het allerergste is: zo’n dertig jaar lang kon ik iedere nacht naar huis in mijn dromen. Nu ben ik plotseling afgesneden van dat thuis in mezelf. Mijn dromen maakten me heel. Nu verbrokkel ik. En de brokstukken kunnen niet meer samen IK zijn zonder de lijm uit mijn nachtelijke reizen.

Na drie nachten zonder slaap ging ik naar de dokter. Hij vroeg:
‘Bent u soms ook angstig?’ Ik kon hem onmogelijk uitleggen hoe bang ik was om nooit meer thuis te komen. En hoe snel je dan ook weer angstig wordt voor je angst. Dus ik zei:
‘nee, ik kom niet voor angst. Ik kan niet slapen. Nog geen uurtje. Helpt u me alstublieft!’
‘Vooruit. Ik geef je tijdelijk dit recept.’ Ik zuchtte opgelucht. Het gaat goed komen, dacht ik. Oxasepam stond er op.

Het deed niks. Kleverige radeloosheid sijpelde in mijn lakens. Om en om draaide ik tot mijn hoofd tolde. Zo roosteren ze je brein in de hel, dacht ik, koortsig, uitgeput en klaarwakker, mijn dekbed een warrige bult aan mijn voeten.

Ik ging terug naar de dokter. Hij suste mijn paniek:
‘patiënten moeten soms even zoeken naar wat bij ze past,’ en gaf me Temazepam: ‘Wees er voorzichtig mee.’

Ik weet niet meer wat dat is: voorzichtig. Ik weet niet meer hoe lang ik al wakker ben en wat ik heb geslikt, gegeten, genomen. Hoe laat en hoe veel van wat? Denken doet pijn. Ik word gedacht. Buiten spoelt naar binnen. Mijn schedel voelt als een holle kamer waar alles doorheen raast, een tent waar de wind dwars doorheen blaast, een plek midden op een druk kruispunt met felle lichten, harde geluiden, stemmen die me overnemen. Ik ben niet meer dan een lege huls. Net zo verlamd als een haas die versteend in de koplampen kijkt vlak voor hij wordt overreden.

Ik geef me over. Toe maar, rij maar over me heen.

Honger heb ik. Honger naar zee. Lopen zonder nadenken. Ze ruist. Ze roept. Mijn blote voeten voelen vanzelf de weg in het zand. Voeten weten, kunnen uit zichzelf. Ah, lucht en adem. Niets anders ruikt zoals de zee. Ze krult zich om mijn tenen. Zacht als altijd. Een kus van schuim likt heen en weer. Er is geen omarming als die van de zee. Zout. Allesomvattend. Na de eerste kou adem ik het water. Word ik vloeibaar. Zwemmen onder water is als zweven. Vissen en vogels weten hoe het is om je tussen onder en boven te bewegen. Ik weet het alleen in mijn dromen. Dan duik ik in Nederland de golven in en verander ik onder water in iets wat feilloos de weg weet. Eén met al dat onderwaterleven, één met een groots geheel. Zo anders dan de losse eenzaamheid die ik op land ben.

Ik zeil als een rog naar het land waar ik kind was. Een land dat ik niet meer vind als ik er met het vliegtuig heen ga. Natuurlijk zijn er nog steeds die felle kleuren onder de warme zon. Die ritmes en ook dat bekende swingende gevoel. Maar de compound van mijn ouders is niet meer hetzelfde. Een waaier van mensen van wie ik hou is weggeblazen over de hele wereld. Ze zijn opgezweept, rondgestrooid als zand.
Wat is dat voor geluid? Heb ik geslapen? Het is niet te geloven. Hoe lang? Ik moet zittend op de bank weggezakt zijn. Ik droomde. Ik droomde weer. Oh, ik kan het nog! Ik was weer bijna thuis. Waar zijn die pillen? Welke dag is het? Hoe laat zou het zijn? Waar is mijn mobiel?
Zelf ben ik compleet de tijd kwijt maar mijn mobiel zegt dat het zaterdag is. Mooi, dan is er markt. Ik ga een blokje om. Frisse lucht. Het regent niet eens. Ik loop naar de markt om een vis te kopen. Ik wil vieren dat ik nog kan dromen. Ja, ik ga koken vanavond en het goedmaken met mijn dochters. Ik zal ze verwennen met een lekkere verse vis van de markt. Ik weet het wel. Ze vinden dat ik een kort lontje heb. Zeker de laatste dagen. Ze vinden me geen goede vader. Pappa Gambia.
‘Je bent er nooit’ hoor ik altijd. ‘En als je er bent ben je aan het bellen met familie die wij niet kennen.’

Mijn oudste dochter studeert rechten. Mijn mooie Sanou. Waar is dat kleine meisje gebleven met die poppige vlechtjes? Ze is van me weggedreven. We zijn allemaal uit elkaar gedreven. Heb ik haar wel laten merken hoe trots ik op haar ben? Ik zie het in haar blik: Pappa is maar vrachtwagenchauffeur. Wat weet hij nou? Hij wil alleen maar naar Gambiaanse feestjes.
‘Doe je wel een mondkapje op pappa? Je brengt hier zo Corona naar binnen.’ Die ogen die me afkeuren als ik mijn moedertaal Wolof praat door de telefoon, als ik sowieso praat. Te hard weer natuurlijk. Maar ik moet het voelen. Luid kunnen proeven. Mijn taal. Mijn thuis. Samay Waajur: mijn ouders. Toen mijn vader stierf kon ik er niet naartoe. Geen geld. Toen mijn moeder stierf had ik net een nieuwe baan.
Net als Sanou zocht ik de vrijheid om me te ontplooien. Ook ik was ooit heel goed op school. Ik dacht: ik moet gaan. Ik kan alleen maar worden wie ik ben als ik ga. Iedereen dacht dat. Iedereen denkt dat nog steeds.
Gratis was het niet. Nog altijd niet. Het heeft me alles gekost. Ik moest mezelf woord voor woord opnieuw vinden. En geloof me: niets is er op mijn Nederlands aan te merken. Mijn uitspraak vloeiend. Mijn woordenschat ruim. Echt. Mijn hoofd zou advocaat kunnen worden als ik zo vrij zou zijn als Sanou.

Maar ik ben nooit meer vrij. Alleen in mijn dromen.

Ik neem nog een pil. Lopen gaat moeilijk. Ik ben zo stijf in mijn benen, mijn rug. Als ik maar slaap vannacht. Een auto. Te hard. Ik zwik. Daar ga ik bijna!
‘IK uitkijken? JIJ moet uitkijken! Dit is een zebrapad!’
Waar was ik? Oh ja, vis. Ik haal lekkere vis voor vanavond. Ik maak hem klaar net als Bintu hem vroeger maakte: op een grote schaal Jollof rijst met geroosterde paprika’s, met ui, zoete aardappel… Met… Samen eten van één schaal. Net als vroeger.

Ik had niet. Niet hiernaartoe. Teveel mensen. Fel te veel zonlicht. Terwijl ik wel wat gewend ben. Mijn lieve zus Bintu fluistert in mijn oor. Ze vraagt waar ik blijf met die vis. Bunama gaat zich ermee bemoeien. Helemaal vanuit Zwitserland. Amadou wil ook mee eten. Hij roept vanuit Washington in mijn oor. Niet allemaal tegelijk. Ik ben los. Geraakt. Stop. Lichtflitsen achter mijn ogen. Adama en Fatou uit Zweden komen binnen. Wat vraag je me pappa? Wanneer ik thuiskom?
Ik ruik de vis al. Als ik mijn ogen dichtdoe kan ik de golven horen ruisen. De meeuwen krijsen ook. Die zijn overal. Ook hier. Vooral hier: op de markt bij de viskraam. Vrijer dan mensen. Zij kunnen naar huis wanneer ze maar willen. Oh, zwemmen als vliegen als vogels.

Eén met de zee wil ik weer zijn. Waar ben ik dan mee bezig? Ik kan die vis niet koken vanavond. Ik laat hem vrij. Daarna ga ik mezelf vrijlaten. Mijn hoofd staat op knappen. Zwemvleugels barsten uit mijn nek. Ik sta strak van de pijn maar weet je: die kraam koop ik leeg. Samen gaan we terug naar zee. Ik beloof jullie. Broeders en zusters. Nooit zal ik jullie meer eten. De golven komen al. In me. Over me. Ik mag. Oh heerlijke zee.

Gauw zwem ik weg van de vrouw in de marktkraam. Haar schelle stem hoor ik zelfs hier onder water. Ze gilt ‘maak ruimte’ en ‘ambulance’. Ik drijf tussen alle vissen uit haar kraam. Ik neem ze allemaal mee. Zij nemen mij mee. Naar huis zwier ik. Mijn hart juicht.
Wat is alles nu helder. Zo blij dat ik weer droom. Zo echt dat ik direct wil vergeten dat ik droom. Ik heb het zo gemist. In werkelijkheid kan ik helemaal niet zwemmen. Niemand van ons kan zwemmen. Er verzuipt nog steeds elk jaar wel iemand in zee, vooral tijdens de Ramadan. Maar kijk me nu eens! Nu ben ik een superheld. Vrij. Een Zeemeerman.

Ik laat me niet meer wakker maken. Ik zwem nu door tot ik er ben.