Categorieën
Fictie

Zandkastelen

De schrijfster Ursula K. Le Guin zei ooit: “Love doesn’t just sit there, like a stone, it has to be made, like bread, remade all the time, made new.” Jij zei ooit iets anders, iets over een huis waar we samen aan zouden bouwen.

“Het is een project en het valt soms uit elkaar, en dan bouwen we het weer op en is het weer wat steviger.” Ik geloof dat dit bedoeld was als nieuwe visie op ‘ons’, als troost, als bevestiging dat het niet altijd allemaal maar goed hoeft te zijn, dat er ook schoonheid zit in het uit elkaar laten vallen, of soms zelfs afbreken, om het vervolgens opnieuw bijeen te rapen en iets nieuws te laten ontstaan. “Ik vind het fijn dat we allebei bereid zijn om aan de relatie te blijven bouwen, in plaats van zomaar een huis te kopen dat gemaakt is door anderen, en daar in te gaan zitten zonder het echt van ons te maken.” Permanente werkzaamheden, dat leek ons wel te passen.

Maar nu ben je weggegaan. Het werd te moeilijk, te arbeidsintensief, terwijl het resultaat altijd buiten bereik was, nauwelijks nog voor te stellen. Een opgave die bestemd leek om je ongelukkig te maken, al weet ook jij dat de rot niet alleen in de fundering zat, maar ook in jou. Al het verbouwen maakte je boos op jezelf, fungeerde enkel als spiegel waarin je zag dat je niet af was, niet heel, niet goed genoeg. Dat er gaten zijn die je liever wilde bedekken. Ik mocht er niet meer naar kijken. Niet zachtjes de randen van je wonden aaien, me nestelen in de holtes in je borstkas. Liever geen zoute tranen huilen, vooral geen vuur spuwen. Dat brandt.

Ik zie je nog zo staan, bij de deur. Je bewegingen daadkrachtig, maar de vertwijfeling was van je gezicht te lezen. Als je me zo graag wilde verlaten, waarom ging je dan niet gewoon? Waarom die aarzeling? Zag jij ook dat het nog lang niet was wat het kon worden?

Nu zit ik alleen op de koude grond in een huis dat van ons voelt, maar dat ik voortaan zelf zal moeten vullen. Het was toch niet de afspraak dat één van ons zomaar het project zou verlaten? Dat was toch niet wat we hier deden? Ik wilde alleen maar met je klussen. Eindeloos een muur overschilderen tot we de kleur hebben gevonden die ons allebei doet stralen.

Toen je wegging zei je dat ik mocht doen wat ik wilde. Dat je het ook niet goed wist, dat je maar deed wat het meest authentiek voelde, je probeerde de weg te vinden waarvan je voelde dat je hem moest bewandelen. Dat jezelf blijven kwellen met splinters en verfspatten toch niet tot zelfliefde kon leiden. Ik liet de deur open.

Soms leek het alsof ik je bang maakte. Niet alleen omdat ik je zere plekken zou raken, er leek ook angst te zijn voor mij: dat ik te groot of te luid zou zijn voor de ruimte die je voor me vrijhield, buiten de perken zou treden van wat veilig gebied was, te véél zou zijn om het overzicht over te kunnen bewaren. Soms voelde het of je me pas aankon als ik moest huilen. Alsof mijn tranen je geruststelden, je me dan weer durfde te benaderen. Alsof je me enkel in mijn zwakte volledig kon liefhebben, terwijl mijn kracht je benauwde.

Er zit ook rot in mij, maar ik durf er steeds meer naar te kijken. Mezelf open te breken, me dieper in het slijk te laten zakken.

Je kwam terug, en vlug plette ik de zandkastelen die ik tijdens jouw afwezigheid bouwde, maakte ruimte voor je vrij zodat je er moeiteloos weer bij paste. Ik ga altijd over mijn grenzen heen bij jou. Of liever gezegd, ik wis ze uit nog vóórdat je ze bereikt, op zoek naar verbinding, versmelting. Je zei dat je voelde dat het toch kon, dat je samen verder wilde, dat je benieuwd was naar wat er achter het oude behang schuilt. Je zei dat je de neiging hebt om ongeduldig te worden over het verbouwen, maar alleen omdat je zo graag wilt dat het af is, zo graag wilt rusten samen met mij. Je zei dat je niet enkel een poging wil doen om weer te gaan bouwen, maar dat je al bezig bent met het verstevigen van de fundering. En toch ging je opnieuw weg.

Ik kan de deur niet meer onvoorwaardelijk open laten staan, jou in en uit laten lopen naar gelang je zucht naar verbinding en intimiteit, danwel je angst. Het tocht, en ik durf niets nieuws te bouwen, niet echt. Ik kan geen zandkastelen blijven maken, ze platgooien wanneer je in mijn richting kijkt. Er verdient iets te komen wat niet in opzet tijdelijk is, om vervolgens weer te verworpen te worden.

Tijdens ons eerste gesprek zei ik dat ik wel in een boomhut zou willen wonen. Jaren later gaf jij me een kunstwerk, een plaat van een boomhut met een platform waarop twee beren trots samen zitten, tevreden geliefden.

Ik wil bouwen aan iets dat groter is dan ons twee. Waar we allebei onze grootste en kleinste zelf mogen zijn. Waarvan je weet dat het nooit af is. Als je ooit zeker bent, krachtig genoeg bent om bij jezelf te blijven én naar een ander toe te bewegen, kom bij me langs. Wanneer je klaar bent om te onderzoeken, bouwplannen wilt bespreken, je vinger over een kozijn wilt laten glijden, kom langs. Of beter nog – kijk eerst van een afstandje, voel wat je lichaam zegt, en ga weer weg. Blijf terugkomen, blijf voelen. Ga weer, tot je in je ziel voelt dat het tijd is, dat je het wel kunt, dat je het wel wilt, en je het blijft willen. Om met alles wat we door de jaren heen hebben verzameld iets nieuws te beginnen, om tenminste onze zelfgebouwde huizen met een loopbrug te verbinden, om bij elkaar op bezoek te gaan. Klop alsjeblieft alleen aan als je binnen wilt komen, als je bereid bent te blijven, de deur achter je dicht durft te doen.

Zandkastelen zijn slechts een altaar, een placeholder voor iets dat weg is, maar ook weer terug zal komen. Ik wil hout en steen, dons en zachte stof. Een plek om me uit te strekken, om me op te laten warmen in de ochtendzon. Ik wil iets dat groter is dan ikzelf, waar ik mijn grootste en kleinste zelf mag zijn. Waarvan ik weet dat het nooit af is.

Wellicht doe ik open als je klopt, misschien heb ik alles wat ik nodig heb al.

Het kan hier zo fijn zijn, ik weet het zeker.