Categorieën
Fictie

Wout

Proloog: de ontmoeting

In mijn herinnering werkt het zo dat bepalende gebeurtenissen verbonden raken met uitzonderlijke weersomstandigheden. Dat het extreem warm was op die dag in de zomer van het jaar 1999, spreekt dan ook vanzelf.
De vroege middagzon stortte zijn hitte uit over de aarde, daarbij niet gehinderd door de weinige wolken die ondanks hun smetteloze witheid schamel afstaken tegen de helderblauwe hemel. Tezelfdertijd bevond ik mij in het huis van mijn grootouders, een kleine boerderij aan de Kapelstraat 31 in Ophemert.
Gezien de gebruikelijk aanloop van dorpelingen, die zonder twijfel voortvloeide uit de ligging van het huis aan een drukke doorgangsweg, mag het geen bijzonderheid heten dat ik hem juist hier tegen het lijf liep. Ik stond in de woonkamer en hij verscheen in de deuropening naar de aangrenzende keuken. Achter hem kon ik nog net zien hoe oma, zich kennelijk niet bewust van het bezoek, in een pan roerde en de pollepel aan haar schort afveegde. De geur van sudderend vlees vulde de ruimte, een geur die bij velen een grote eetlust opwekt, maar die mij sindsdien met weerzin vervult.
Onzeker keek ik op naar de man tegenover mij. Ik wist niets te zeggen en ook hij kon de stilte niet verbreken. Wie weet hoe lang we daar hadden staan zwijgen, als niet oma, gealarmeerd door de stilte, op ons toe kwam.
‘Dit is er één van Willy’, zei ze met aarzeling in haar stem.
De man nam mijn verschijning in zich op, vermoedelijk in een poging er iets van mijn moeder in te herkennen. Toen sprak hij op treiterige toon: ‘Je moeder kent mij nog wel. Mijn naam is Wout van Leeuwen.’
Ik zei niets.
‘En hoe oud mag dit jonge heerschap wezen?’ vroeg hij.
Omdat ik bleef zwijgen, zei oma: ‘Elf jaar, Benjamin is elf. Hij is vandaag aan het werk bij opa en oma. Toch, Benjamin?’
Ik knikte.
‘Ach zo’, reageerde Wout. ‘Is dat wat? Elf jaar en nog steeds verlegen.’
Ik was helemaal niet verlegen, maar iets in de man ontnam mij het vermogen tot spreken. Ik kon alleen kijken naar zijn tanden, nog steeds één van mijn onhebbelijke gewoonten in de conversatie. Mijn intuïtie dwingt me ertoe, alsof de staat van iemands gebit me iets vertellen kan over diens geweten. Wat dat betreft voorspelde de aanblik van Wouts mondinhoud niet veel goeds. Zijn overgebleven bruine tanden lagen bloot tot op de dun geworden wortels, zodat een hap van een appel of zelfs de geringste vuistslag ze met gemak zou doen afbreken. Ze hebben mijn voorstelling van de man bepaald, want daarbuiten herinner ik me niets van zijn uiterlijk.
Ook van de ontmoeting zelf weet ik verder niets meer. Of hij nog iets heeft gezegd, of ik iets heb gezegd, of hij is gebleven of direct vertrokken, of er een directe aanleiding was voor zijn bezoek – want ik kan me niet voorstellen dat hij enkel kwam mededelen dat mijn moeder hem nog wel kende – alles lijkt verdwenen.
Tegelijk, naast alle onzekerheid, staat het decor van de ontmoeting me helder voor ogen, al is het maar doordat ik er nog geregeld kom en er sindsdien nagenoeg niets is veranderd. Het heeft iets geruststellends in een wereld waarin alles aan verandering onderhevig is, waarin een levende de volgende dag een dode kan zijn. Verouderen doet het niet, omdat in zijn tijd reeds verouderd was. Ik zie de vloerbedekking met bloemenmotief, het vaalgeworden behang waartegen verschillende objecten prijken: een aquarel van de dorpskerk, foto’s van het nageslacht, een imitatie-Zaanse klok met op de top het beeld van de wereldtorsende Atlas, en het absolute pronkstuk, een geborduurde replica van Het melkmeisje van Vermeer. Daarnaast zie ik het overvloedige meubilair, dat de kleine ruimte bijna in haar geheel vulde. En alles, van de kasten tot de fauteuils, was bruin, wat de fantasieloosheid van het geheel alleen benadrukte.
Opa en oma waren vanzelfsprekend een niet weg te denken onderdeel van de kamer. Ik herinner me hen vooral zittend. Opa’s zetel stond bij binnenkomst direct links, wat af te lezen viel aan de transpiratievlekken in de stof van de rugleuning, die vagelijk zijn silhouet vormden. Twee meter verder stond oma’s zetel, strategisch gepositioneerd voor de televisie, zodat hij haar elke middag vrij uitzicht bood op de ‘Bols’, zoals zij haar favoriete Amerikaanse soap placht aan te duiden. Tussen hen in stond een oude gaskachel, die altijd brandde, zelfs in de zomer, zij het dan in waakvlamstand.
‘Maar wat doet het er allemaal toe?’ hoor ik je denken. ‘Al dat gezwets leidt tot niets en is niet anders dan een omtrekkende beweging om te komen tot waar het werkelijk over gaat, of zou moeten gaan: de betekenis van mijn ontmoeting met Wout.’ Goed, als je het echt wilt weten. Laat me je meenemen naar een moment later op die dag.

Zittend op de bijrijdersstoel zie ik hoe mijn moeder onze donkerrode Renault de weg op stuurt, terwijl oma ons met haar zakdoek uitzwaait vanaf het kleine erf aan de achterzijde van het huis. Met mijn arm half naar buiten zwaai ik terug, net zo lang tot de gedrongen gestalte van oma geheel uit beeld is verdwenen.
Ik kijk naar buiten en kan me moeilijk voorstellen dat mijn moeder hier, op deze plek, is opgegroeid. Aan weerszijden trekt een eentonig landschap van omheinde weilanden en smalle slootjes aan ons voorbij. De koele avondlucht die door het geopende raam naar binnen stroomt, kan de herinnering aan de hitte van die dag niet uitwissen.
Het was de bedoeling dat ik vandaag alle staldeuren zou schilderen, overigens niet zozeer omdat ze schreeuwden om een verfbeurt, als wel omdat oma er een kans in zag haar kleinzoon de hele dag in haar buurt te hebben. Van schilderen is door de hitte niets terechtgekomen en in plaats daarvan heeft oma me volgestopt met allerhande etenswaar. Ik ben te mager, zegt ze.
Mijn moeder vraagt hoe het was bij opa en oma en luistert geamuseerd naar mijn verslag. Ze moet zelfs even lachen als ik vertel hoe opa meewarig zijn hoofd schudde toen oma mijn 25 gulden loon overhandigde.
‘Ik wou dat ik ze zo makkelijk verdiend had’, bromde hij.
De stemming in de auto slaat plots om als ik begin over een tot dan toe onschuldige ontmoeting: ‘Trouwens, bij opa en oma was er een meneer die zei dat hij jou kent?’
‘O, wie was dat dan?’ vraagt ze.
‘Volgens mij heette hij Wout van Leeuwen.’
Bij het horen van die naam verstart mijn moeder. We minderen vaart en omdat ze vergeet gas te geven, slaat de motor af en komen we met een schok tot stilstand. Ze kijkt me aan en zegt met een ernst die ik niet van haar ken: ‘Dat is helemaal geen leuke meneer.’
Ik zou moeten vragen waarom, maar laat dat na. Ik kijk in de blauwgrijze ogen van mijn moeder, en wat ik zie, treft me diep, al weet ik dan nog niet precies wat daar de reden van is.

Pas jaren later drong tot me door dat ik angst zag, een angst die onbewust iets in me wakker kuste, iets wat we me nog steeds kwelt, iets wat me ook nooit meer met rust zal laten.
Laat ik maar zeggen hoe het zit: Wout heeft mijn moeder vermoord. Het klinkt misschien vreemd, zeker als je weet dat mijn moeder Wout overleefde. Toch is het waar. Wout heeft mijn moeder vermoord, anders kan ik het niet zien. Zonder hem, zonder zijn aanwezigheid in haar leven, had ze nog geleefd. Zijn aanwezigheid, zijn vernietigende kracht, heeft haar letterlijk ziek gemaakt, met de dood tot gevolg. En ik wil dat de wereld het weet; dat het niet verborgen blijft. Ik wil dat we Wout herinneren om wie hij is: de moordenaar van mijn moeder. Daarvoor zal ik hem eerst tot leven wekken. Ik zal mij in hem verplaatsen. O, ik gruw bij de gedachte dat ik hem zal worden. Ik zal even de moordenaar van mijn moeder zijn. Maar het is nodig. Het is de enige manier om hem terecht te stellen, want dat is het doel van dit relaas.

Rotterdam, 2021