Categorieën
Fictie

Wisselgeld

Mijn hakjes klinken gedempt op de houten vloer van de bescheiden bar tabac.
Ik loop naar de toonbank waar de kleine, tanige eigenaar achter staat, en wijs naar de sigaretten, die achter hem staan uitgestald.

In woon hier al vier jaar, en spreek nog geen woord Frans.

De man herkent mij en geeft een kort knikje.
Iedereen in dit dorp in de Rhône vallei weet wie ik ben.
Eva van Julius.

Of beter gezegd het domme, naïeve vrouwtje van de beroemde en beruchte kunstenaar.
Ik weet hoe er over ons wordt gepraat en hoe ik door de vrouwen met medelijden en leedvermaak wordt bekeken.
De virtuoze artiest en zijn fletse, aanhankelijke vrouw.
Maar vandaag is alles anders.
Julius is dood, ik heb hem van de trap geduwd en hij brak zijn nek.

De verkoper houdt een lichtblauw pakje Gauloise voor mijn neus, en kijkt me vragend aan.
Ik knik dat het oké is en maak een gebaar alsof ik een sigaret opsteek. Hij begrijpt me en legt een doorzichtige, groene aansteker op de balie.
Ik leg er een briefje van 100 euro naast en stop de sigaretten en aansteker gehaast in mijn tasje, dan draai ik me om, de protesten van de man achter me negerend, en loop snel naar de uitgang.

Terwijl ik me naar mijn auto haast, hoor ik hem wat roepen, maar ik versta hem niet en heb geen tijd om stil te staan.
Ik spring in mijn auto en start de motor, neem niet de moeite om de gordel om te doen.
In de achteruitkijkspiegel zie ik hem uit de winkel komen, en naar me gebaren, zijn rechterarm houdt hij omhoog, hij houdt iets vast in zijn hand.
Ik geef flink gas en sprint met mijn autootje de weg op.

Na tien minuten rij ik de hobbelige weg op die naar ons huis leidt, en parkeer de auto aan de voorzijde.
Ik sluit mijn ogen en laat mijn hoofd tegen de leuning rusten. Mijn hand leg ik als vanzelf op mijn buik.
Ik glimlach als ik denk aan wat ik gisteren heb ontdekt.
Ik sta mezelf nog even toe om te fantaseren over ons gelukkige gezin.
Julius met onze dochter in zijn armen, haar haren net zo vlammend rood als de zijne.
Ze lachen en houden elkaar stevig vast.
In mijn dromen zijn Julius en ik altijd gelukkig geweest. Voor mij stond het vast dat we ooit kinderen zouden krijgen. Maar Julius had me vanochtend laten weten dat hij nooit klaar zou zijn voor het vaderschap. Hij eiste dat ik dit kindje weg zou laten halen.

Ik zucht, hoe heb ik ooit kunnen denken dat ik hem kon temmen.

Vanochtend zag ik eindelijk in wat iedereen in de wijde omtrek al wist: Julius hield niet van mij, hij vond het makkelijk dat ik voor hem zorgde, ja dat is zeker waar.
En ik dacht dat ik alles voor hem over had.

Maar dat was een vergissing.

Julius ligt met gebroken nek in de gang onderaan de trap, ik kan hem zien door de ruit in de voordeur.
Hij ziet er doder uit dan een paar uur geleden, merk ik op als ik binnen ben.
Zijn oogleden zijn niet meer helemaal gesloten.
Het geeft hem een sinister uiterlijk, en ik huiver als ik naar hem kijk
De zon schijnt genadeloos de gang in.
Ik weet dat ik niet lang kan wachten om Julius in de kelder te gooien.

Ik pak mijn tas en haal het pakje sigaretten eruit.
Het is vier jaar geleden dat ik voor het laatst heb gerookt, maar ik verlang er nu meer naar dan ooit.

Met een brandende sigaret tussen mijn lippen stap ik voorzichtig over mijn man heen en ga op de trap zitten. Mijn voeten op de laagste trede, mijn billen 3 treden hoger.
Het marmer voelt koud en hard.

Rustig neem ik een trek, het kalmeert me.
Het voelt vreemd, maar toch begin ik te praten.

“Het spijt me Julius, dat je zo aan je eind moet komen, dat meen ik echt.
Maar.. ik zie het zo: ik heb veel meer liefde, geduld en opofferingen in dit huwelijk opgebracht dan jij.
Jij hebt vooral voor jezelf geleefd, en de balans, of evenwicht was zoek.
Ik heb het gevoel dat je mij wat schuldig bent snap je?”

Ik pauzeer even om een trekje te nemen
.
Het is maar goed dat Julius me niet kan horen, en het is helemaal een verademing dat hij niet terug kan praten.
Hij vond altijd dat ik onzin uitkraamde, en dat liet hij weten ook.

“Dus ik blijf hier, en ga met ons kindje leven van de verkoop van je schilderijen. Er liggen hier nog genoeg.
En dat blijf ik doen, tot ik vind dat je me terug hebt betaald.”

De telefoon in de woonkamer gaat, en ik spring bijna uit mijn vel van schrik.
Ik haat dat geluid, het is zo opdringerig, alsof iemand aan de deur klopt en eist binnengelaten te worden.
Ik been met grote stappen over Julius heen de kamer in, til de hoorn op en laat hem weer vallen. Hopelijk snappen ze de hint.

Weer terug naar Julius.
Nu moet ik hem echt de kelder in krijgen.
Ik probeer hem aan zijn armen te slepen, haak mijn handen onder zijn oksels, kom een stukje vooruit, verlies grip, zijn overhemd is te glad.
Het gaat moeizaam, hij beweegt langzaam van zijn plek en ik breng hem centimeter voor centimeter dichter bij de keldertrap.
Mijn satijnen bloes plakt aan mijn rug.
Zweet begint in mijn ogen te prikken, en mijn haren plakken op mijn hoofd.

Dan hoor ik een geluid bij de voordeur. Met een gevoel van naderend onheil kijk ik langzaam op.
Vol ongeloof kijk ik recht in het gezicht van de meneer van de bar tabac , zijn ogen groot van schrik, in zijn rechterhand mijn wisselgeld.